Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4517

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
29-11-2016
Zaaknummer
14/4198 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter uitvoering van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2016:390) heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Herziening met terugwerkende kracht en terugvordering WW-uitkering. Niet aannemelijk geworden dat appellante haar werkzaamheden tijdig aan het Uwv heeft gemeld. Onder deze omstandigheden kon het Uwv de WW-uitkering van appellante intrekken. Redelijkerwijs duidelijk dat zij ten onrechte een WW-uitkering ontving. Appellante is de op haar rustende inlichtingenverplichting niet nagekomen. Hiervan kan haar zowel objectief als subjectief een verwijt worden gemaakt. Het Uwv was dan ook verplicht haar een boete op te leggen. Appellante heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat de schending van de inlichtingenplicht haar niet of slechts verminderd kan worden toegerekend. De mate van verwijtbaarheid, de omstandigheden waaronder appellante de overtreding heeft begaan en haar persoonlijke omstandigheden geven geen aanleiding voor een lagere boete dan € 640,-. Deze boete is hier passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-1170
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4198 WW, 16/2544 WW

Datum uitspraak: 23 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
20 juni 2014, 14/1020 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geschil tussen partijen op 20 januari 2016 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CRVB:2016:390).

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv op 18 maart 2016 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Appellante heeft op 18 april 2016 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 12 oktober 2016. Appellante en het Uwv zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een weergave van de relevante feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de overwegingen 1 tot en met 2.7 van de tussenuitspraak.

1.2.

Het Uwv heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak opnieuw beslist op de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 5 november 2013 tot herziening van de uitkering van appellante op grond van de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 1 april 2013 en terugvordering van een bedrag van bruto € 17.251,70 aan onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 1 april 2013 tot en met 6 oktober 2013, onderscheidenlijk het opleggen van een boete van € 1.280,-, alsmede op de bezwaren van appellante tegen de invorderingsbesluiten van 18 en 19 november 2013. De nieuwe beslissing op bezwaar is neergelegd in een besluit van 18 maart 2016 (bestreden besluit III). Bij bestreden besluit III heeft het Uwv het herzieningsbesluit, het terugvorderingsbesluit en de invorderingsbesluiten gehandhaafd en de boete verlaagd naar € 640,-.

2.1.

Nu het besluit van 28 januari 2014 en het besluit van 6 mei 2014 niet worden gehandhaafd, slaagt het hoger beroep en zal de aangevallen uitspraak worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen de bestreden besluiten I en II gegrond verklaren en die besluiten vernietigen.

2.2.

Bestreden besluit III wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling betrokken.

3. Appellante heeft te kennen gegeven zich niet te kunnen verenigen met bestreden besluit III. Zij heeft haar eerder ingenomen standpunt, dat zij haar werkzaamheden per 1 april 2013 al kort daarna heeft gemeld bij het Uwv, herhaald. Volgens haar is het aan fouten van het Uwv te wijten dat te veel uitkering aan haar is verstrekt en is er geen grondslag voor een boete. Appellante heeft verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden, bestaande uit verletkosten voor het bijwonen van de zitting van de rechtbank, kosten van juridische bijstand en nadelige bancaire en fiscale effecten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ten tijde in geding was het volgende wettelijk kader van toepassing.

4.1.1.

Artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW bepaalt dat het recht op uitkering eindigt voor zover de werknemer niet langer werkloos is. Voor deze werknemer eindigt het recht op uitkering op grond van artikel 20, derde lid, van de WW ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij arbeid als werknemer verricht.

4.1.2.

Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW herziet het Uwv de uitkering indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting op grond van artikel 25 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.

4.1.3.

In artikel 25 van de WW, voor zover van belang, is bepaald dat de werknemer verplicht is het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering of op het bedrag van de uitkering dat aan hem wordt betaald.

4.1.4.

In artikel 27a, eerste lid, van de WW is bepaald dat het Uwv een bestuurlijke boete oplegt van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel 25.

4.1.5.

Artikel 36, eerste lid, van de WW bepaalt dat de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv wordt teruggevorderd. Op grond van het vijfde lid van dit artikel kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.1.6.

Ter uitvoering van artikel 22a van de WW voert het Uwv een beleid als neergelegd in de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van
17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 230 (Beleidsregels). In artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregels is bepaald dat, indien door toedoen van de verzekerde ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt, intrekking of herziening van de uitkering plaatsvindt met terugwerkende kracht tot en met de dag vanaf welke de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verstrekt.

4.2.

Niet in geschil is dat appellante, die vanaf 1 augustus 2011 een WW-uitkering ontving, per 1 april 2013 in dienst is getreden van de Stichting voor [naam Stichting] en vanaf dat moment niet meer werkloos was. Evenmin is in geschil dat als gevolg hiervan appellante vanaf 1 april 2013 geen recht meer had op een WW-uitkering en dat het Uwv de WW-uitkering van appellante gedurende de periode van 1 april 2013 tot en met 6 oktober 2013 ten onrechte heeft doorbetaald. Het geschil betreft de vraag of het Uwv de WW-uitkering van appellante mocht intrekken met terugwerkende kracht, of hij de onverschuldigd betaalde uitkering terecht heeft teruggevorderd, of hij appellante terecht een boete heeft opgelegd en zo ja, of een boete van € 640,- passend en geboden is, en of de invorderingsbesluiten in stand kunnen blijven.

4.3.1.

Het Uwv heeft de intrekking met terugwerkende kracht gebaseerd op artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregels en in dat kader gesteld dat appellante eerst op 28 mei 2013 melding heeft gemaakt van haar werkzaamheden. Appellante daarentegen heeft gesteld dat zij begin april 2013 een wijzigingsformulier per post heeft opgestuurd naar het Uwv, nadat het haar wegens problemen met haar DigiD of de site van het Uwv, meerdere keren niet was gelukt om haar werkzaamheden digitaal via het zogenoemde wijzigingsformulier door te geven. Zij meent aan haar inlichtingenplicht te hebben voldaan.

4.3.2.

De bewijslast van het tijdig melden van de werkzaamheden berust op appellante. Daarvan uitgaande wordt overwogen dat het door appellante genoemde wijzigingsformulier niet bekend is bij het Uwv. Appellante heeft geen bewijs van verzending van dat formulier overgelegd, noch anderszins aannemelijk gemaakt dat zij dat formulier daadwerkelijk begin april 2013 heeft verzonden naar het Uwv. Verder is uit onderzoek door het Uwv naar voren gekomen dat in de periode van 31 maart 2013 tot en met 1 mei 2013 geen sprake is geweest van storingen op werk.nl of uwv.nl. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat appellante haar werkzaamheden tijdig aan het Uwv heeft gemeld. Onder deze omstandigheden kon het Uwv de WW-uitkering van appellante intrekken met ingang van 1 april 2013.

4.3.3.

Aan het vorenstaande wordt toegevoegd dat het appellante ook redelijkerwijs duidelijk was of had kunnen zijn dat zij in de genoemde periode ten onrechte een WW-uitkering ontving. Ook op die grond had het Uwv die uitkering kunnen intrekken met terugwerkende kracht.

4.4.

Uit artikel 36 van de WW volgt dat het Uwv verplicht was de onverschuldigd aan appellante betaalde uitkering terug te vorderen. Dringende redenen om daarvan op grond van artikel 36, vijfde lid, af te zien zijn door appellante niet gesteld. De terugvordering kan dan ook in stand blijven.

4.5.

Tegen de invordering heeft appellante geen met stukken onderbouwde beroepsgronden aangevoerd. Appellante heeft evenmin financiële gegevens overgelegd die erop wijzen dat zij niet in staat is te voldoen aan de door het Uwv bepaalde wijze van invorderen. Er is dan ook geen reden om de invordering niet in stand te laten.

4.6.1.

Uit wat is overwogen in 4.3.2 volgt dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Hiervan kan haar zowel objectief als subjectief een verwijt worden gemaakt. Het Uwv was dan ook verplicht haar een boete op te leggen.

4.6.2.

Appellante heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat de schending van de inlichtingenplicht haar niet of slechts verminderd kan worden toegerekend. De mate van verwijtbaarheid, de omstandigheden waaronder appellante de overtreding heeft begaan en haar persoonlijke omstandigheden geven geen aanleiding voor een lagere boete dan € 640,-. Deze boete is hier passend en geboden.

5.1.

Appellante heeft verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden, bestaande uit verletkosten voor het bijwonen van de zitting van de rechtbank, kosten van juridische bijstand en nadelige fiscale en bancaire effecten.

5.2.

Omdat appellante geen inzicht heeft gegeven in de aard en de omvang van deze fiscale en bancaire schade wordt haar verzoek om vergoeding hiervan afgewezen.

5.3.

De door appellante geclaimde verletkosten en kosten van juridische bijstand kunnen slechts op grond van artikel 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) worden vergoed. In artikel 1, aanhef en onder a, onderscheidenlijk d, van het Bpb is bepaald dat een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb uitsluitend betrekking kan hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en verletkosten van een partij. Omdat niet is gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, komen eventuele kosten van juridische bijstand niet voor vergoeding in aanmerking. De verletkosten van appellante voor het bijwonen van de zitting van de rechtbank komen wel voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten worden begroot op
€ 320,-, te weten 4 uur à € 80,- per uur.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 28 januari 2014 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 6 mei 2014 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 18 maart 2016 ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 320,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en A.I. van der Kris en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2016.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) B. Dogan

SS