Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4508

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2016
Datum publicatie
28-11-2016
Zaaknummer
15/4247 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gehoudenheid tot terugvordering van onverschuldigd verstrekte of anderszins onverschuldigd betaalde uitkering. De enkele, niet onderbouwde, stelling van uit balans zullen raken levert geen dringende reden op om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4247 WWAJ

Datum uitspraak: 25 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 2 juni 2015, 15/30 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant het mr. U. van Ophoven, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2016. Appellant en zijn gemachtigde zijn met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1990, heeft met ingang van [datum] 2008 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ontvangen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de werkgever van appellant, inhoudende dat appellant met ingang van 13 maart 2014 ziek is, heeft het Uwv een onderzoek naar de dienstverbanden van appellant verricht.

1.3.

Bij besluit van 7 augustus 2014 heeft het Uwv besloten om appellant geen boete op te leggen omdat het niet doorgeven van de wijziging in zijn situatie hem op medische gronden niet te verwijten is.

1.4.

Bij apart besluit van 7 augustus 2014 heeft het Uwv de uitbetaling van de

Wajong-uitkering van appellant over verschillende periodes in 2010 en 2011 gewijzigd. Op basis van inkomsten is appellant in de periode van 1 maart 2010 tot 1 april 2010 65 tot 80% arbeidsongeschikt geacht, in de periode van 12 juli 2010 tot 19 juli 2010 en in de periode van 1 juni 2011 tot 1 juli 2011 minder dan 25% arbeidsongeschikt geacht, in de periode van

1 juli 2011 tot 1 augustus 2011 35 tot 45% arbeidsongeschikt geacht, in de periode van

1 augustus 2011 tot 1 september 2011 65 tot 80% arbeidsongeschikt geacht en in de periode van 1 september 2011 tot 1 oktober 2011 minder dan 25% arbeidsongeschikt geacht.

1.5.

Bij apart besluit van 7 augustus 2014 heeft het Uwv de uitbetaling van de

Wajong-uitkering van appellant over verschillende periodes in 2013 en 2014 gewijzigd. Op basis van zijn verdiensten is appellant in de periode van 1 april 2013 tot 1 oktober 2013 en in de periode van 1 december 2013 tot 1 januari 2014 minder dan 25% arbeidsongeschikt geacht, in periode van 1 januari 2014 tot 1 februari 2014 35 tot 45% arbeidsongeschikt en in de periode van 1 februari 2014 tot 1 april 2014 minder dan 25% arbeidsongeschikt geacht.

1.6.

Bij apart besluit van 7 augustus 2014 heeft het Uwv een bedrag van € 14.388,81 van appellant teruggevorderd in verband met onverschuldigd betaalde Wajong-uitkering over de periode van 1 februari 2009 tot 1 oktober 2011 en de periode van 1 april 2013 tot en met

1 april 2014.

1.7.

Bij besluit van 8 december 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 7 augustus 2014 ongegrond verklaard.

1.8.

Het Uwv heeft bij een apart besluit van 8 december 2014 vastgesteld dat appellant het bedrag van € 13.050,36 aan teveel betaalde Wajong-uitkering voorlopig niet kan terugbetalen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard omdat niet is gebleken dat het besluit van

7 augustus 2014, in welke besluit de uitbetaling van de Wajong-uitkering is herzien over de periodes in 2013 en 2014, door het Uwv aan appellant bekend is gemaakt, waardoor appellant niet eerder dan door toezending door de rechtbank op de hoogte is geraakt van dit besluit. Het bestreden besluit ontbeert hierdoor een deugdelijke motivering en is daarom in zoverre vernietigd. Omdat appellant heeft verzocht om het beroep ook betrekking te laten hebben op dit gedeelte van de besluitvorming heeft de rechtbank aanleiding gezien om te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit in stand gelaten kunnen worden. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheid dat appellant mogelijk verkeerd is voorgelicht door de jobcoach het Uwv niet regardeert en dat het Uwv, omdat appellant heeft gewerkt en inkomsten heeft verworven, toepassing kon geven aan het bepaalde in artikel 3:48, eerste lid, van de Wajong. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat er dringende redenen zijn op grond waarvan het Uwv van terugvordering af zou moeten zien.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen aangevoerd dat wegens dringende redenen van de terugvordering afgezien moet worden omdat de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties heeft. Het risico bestaat dat hij volledig uit balans raakt door terugvordering.

3.2.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld verplicht te zijn tot herziening en terugvordering. Er wordt nu afgezien van invordering in verband met de financiële omstandigheden van appellant. Een medisch dringende reden om van terugvordering af te zien is niet onderbouwd waardoor er geen aanleiding is om af te zien van terugvordering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 3:56, eerste lid, van de Wajong wordt de uitkering, die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 3:18 onverschuldigd is verstrekt, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv teruggevorderd. Op grond van het vijfde lid kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.2.

Van dringende redenen is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT2869) slechts sprake als deze zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken.

4.3.

De stelling van appellant dat hij uit balans zal raken door de terugvordering is niet onderbouwd met, bijvoorbeeld, een medisch stuk of andere nadere gegevens. De enkele stelling dat dit het geval zal zijn, gevoegd bij het gegeven dat appellant beperkte cognitieve en sociale mogelijkheden heeft, levert geen dringende reden op om op grond van artikel 3:56, vijfde lid, van de Wajong geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4.4.

Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep van appellant niet en moet de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen in tegenwoordigheid van

A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

25 november 2016.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) A.M.C. de Vries

NK