Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:45

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2016
Datum publicatie
18-01-2016
Zaaknummer
14/5578 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel. Verspelen kans op arbeidscontract. Weigeren visitatie in werkgebouw. Disproportionele reactie van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/56

Uitspraak

14/5578 WWB

Datum uitspraak: 12 januari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 september 2014, 14/2284 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Delft (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.R. Schuckink Kool, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schuckink Kool. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door S.H. Pitschula.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Hij is op grond van een op 15 juli 2013 met Combiwerk Arbeidsintegratie (Combiwerk) gesloten overeenkomst voor twee maanden gaan werken als postsorteerder op een werkervaringsplek bij PostNL. In de overeenkomst staat dat tegen het einde van deze termijn wordt bepaald of de deelnemer in aanmerking komt voor een tijdelijke arbeidsovereenkomst bij Combiwerk voor PostNL.

1.2.

In de overeenkomst zijn de huisregels van PostNL van toepassing verklaard. Hierin staat dat alle medewerkers te allen tijde het gebouw binnenkomen en verlaten via de entree en dat het zonder toestemming van een leidinggevende niet is toegestaan om (tijdelijk) het gebouw te verlaten, ook niet kortstondig via een dock of een nooduitgang. Voorts staat in de huisregels dat door een externe beveiligingsorganisatie op onregelmatige tijden visitaties worden gehouden, waaraan iedereen verplicht is mee te werken.

1.3.

Op 9 augustus 2013 heeft appellant een beveiligingsknop gebruikt om het pand van PostNL te verlaten omdat hij met zijn personeelspas de buitendeur niet kon openen (eerste incident). Hij heeft hiervoor zijn excuses aangeboden.

1.4.

Op 14 augustus 2013 heeft appellant bij het verlaten van het pand van PostNL visitatie door een beveiliger geweigerd omdat de beveiliger desgevraagd niet zijn legitimatiebewijs wilde tonen. Toen appellant vervolgens werd belet het pand te verlaten heeft hij de politie gebeld. De beveiliger heeft daarna zijn legitimatiebewijs uit zijn auto gehaald en dit alsnog getoond, waarna appellant wel aan de visitatie heeft meegewerkt (tweede incident).

1.5.

De proces- en depotmanager van PostNL heeft na beide incidenten aan de leidinggevende van Combiwerk meegedeeld dat het eerste incident door PostNL als zeer ernstig wordt gezien, maar dat appellant nog een tweede kans verdient en de excuses worden aanvaard. Voorts heeft hij na het tweede incident meegedeeld dat appellant niet meer wordt toegelaten tot het bedrijf.

1.6.

Bij besluit van 6 september 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 maart 2014 (bestreden besluit), heeft het college de uitkering vanaf 7 september 2013 gedurende één maand met 100% verlaagd. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant door beide incidenten zijn kans op een arbeidscontract bij PostNL door eigen toedoen heeft verspeeld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, omdat het niet is voorzien van een deugdelijke motivering, nu het college ten onrechte mede het eerste incident ten grondslag heeft gelegd aan het verwijt dat appellant zijn kans op een baan heeft verspeeld. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, omdat het college ook het enkele incident op 14 augustus 2013 ten grondslag heeft kunnen leggen aan de maatregel. Daartoe heeft de rechtbank het standpunt van het college onderschreven dat het gedrag van appellant tijdens het tweede incident disproportioneel was en appellant voor onprofessioneel gedrag van de beveiliger op andere wijze aandacht had kunnen vragen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 18, eerste lid, van de WWB stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Artikel 18, tweede lid, van de WWB, voor zover hier van belang, bepaalt dat indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.2.

De in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB bedoelde verordening is de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2013 gemeente Delft (Maatregelenverordening). Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Maatregelenverordening stemt het college de maatregel af op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Ingevolge artikel 9, vierde lid, in verbinding met artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Maatregelenverordening wordt een maatregel opgelegd van 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand indien een belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid door eigen toedoen niet verkrijgt.

4.3.

Appellant voert aan dat de rechtbank buiten het geschil is getreden door te oordelen dat ook het enkele incident op 14 augustus 2013 voldoende grondslag biedt voor het bestreden besluit. Nergens blijkt uit dat ook het college de houding van appellant in dit enkele incident als voldoende grondslag voor de bestreden maatregel heeft aangemerkt.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Nu het college, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank, het gedrag van appellant bij het tweede incident ook op zichzelf beschouwd, verwijtbaar en maatregelwaardig acht, is de rechtbank niet buiten de omvang van het geding getreden met het oordeel dat het enkele incident van 14 augustus 2013 voldoende grondslag biedt voor het bestreden besluit.

4.5.

Appellant voert voorts aan dat de rechtbank te weinig gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat de beveiliger ten onrechte niet voldeed aan zijn verzoek zich te legitimeren en aan zijn belang gevrijwaard te blijven van een onrechtmatige inbreuk op zijn privacy. Het bellen van de politie was een adequate reactie op de omstandigheid dat hem werd verhinderd het pand te verlaten. Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt daarom.

4.6.

Appellant kan worden verweten dat hij na de weigering van de beveiliger om zijn legitimatiebewijs te tonen het pand direct zonder visitatie wilde verlaten en de politie belde toen hem dat werd verhinderd. Terecht heeft de rechtbank, met het college, dit gedrag disproportioneel geacht, nu de visitatie plaatsvond in het gebouw van PostNL en in de ook voor appellant geldende huisregels van PostNL staat dat iedereen verplicht is mee te werken aan door een externe beveiligingsorganisatie op onregelmatige tijden gehouden visitaties. Door zonder zich te laten visiteren het pand te willen verlaten en de politie te bellen toen hem dit werd verhinderd, onttrok appellant zich aan die huisregels. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant op een andere wijze aandacht voor onprofessioneel gedrag van de beveiliger had kunnen vragen. Daarom kan niet worden geoordeeld dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Dit betekent dat het college op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was appellant een maatregel op te leggen.

4.7.

Wel is er reden verminderde verwijtbaarheid voor de gedraging van appellant aan te nemen. Daartoe wordt overwogen dat uit het bepaalde in artikel 9, achtste lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus voortvloeit dat de personen die belast zijn met beveiligingswerkzaamheden bij de uitvoering van hun werkzaamheden een legitimatiebewijs bij zich dienen te dragen en dit op verzoek tonen. Appellant komt het recht toe een beveiliger te verzoeken zijn legitimatiebewijs te tonen, alvorens visitatie door die beveiliger te ondergaan. Doordat de beveiliger dat legitimatiebewijs aanvankelijk ten onrechte niet toonde, kwam appellant, zonder dat dit hem te verwijten is, voor de vraag te staan hoe hij daarop adequaat kon reageren.

4.8.

Uit wat onder 4.7 is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, ziet de Raad, met het oog op een finale beslechting van het geschil, aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Omdat een maatregel van 50% gedurende één maand naar het oordeel van de Raad recht doet aan de ernst van de gedraging, de mate waarin deze appellant kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert, zal het besluit van 6 september 2013 in zoverre worden herroepen dat de verlaging zal worden vastgesteld op 50% gedurende één maand vanaf 7 september 2013.

4.9.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, begroot op € 992,- wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- herroept het besluit van 6 september 2013 in zoverre dat de bijstand van appellant met

ingang van 7 september 2013 voor de duur van één maand wordt verlaagd met 50% en

bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van

13 maart 2014;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van

€ 992,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 122,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en J.L. Boxum en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2016.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) M.S. Spek

HD