Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4495

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2016
Datum publicatie
25-11-2016
Zaaknummer
16/353 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het onderhavige e-mailbericht was geen voor beroep vatbaar besluit of handeling in de zin van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder b of d van de Awb. De Raad onderschrijft oordeel rechtbank hierover. Rechtbank heeft zich ten onrechte onbevoegd verklaard kennis te nemen van verzoek om schadevergoeding. Onvoldoende grond voor toewijzing verzoek. Hoger beroep slaagt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:88
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/425
AB 2017/42 met annotatie van L.J.A. Damen
TAR 2017/25
JB 2017/32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/353 AW

Datum uitspraak: 24 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

8 december 2015, 14/3019 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. van Weersch hoger beroep ingesteld.

Namens de minister heeft drs. J.H.M. van der Hulst, directeur van de uitvoeringsinstantie voor bovenwettelijke WW-uitkeringen WWplus, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Weersch. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Kalvenhaar.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontvangt wachtgeld op grond van het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie. Op 1 januari 2013 is zijn arbeidsovereenkomst met Loyalis beëindigd. Vanaf deze datum geniet appellant een WW-uitkering en ABP-keuzepensioen. Daarnaast ontvangt appellant vanaf april 2013 een lijfrente van Reaal Bancaire Diensten in verband met een afgesloten koopsompolis. Deze koopsompolis heeft appellant gefinancierd met een van Loyalis ontvangen ontslagvergoeding.

1.2.

In september 2013 heeft appellant Reaal verzocht de afgesloten koopsompolis met lijfrenteclausule te beëindigen of de maandelijkse uitkeringen te beëindigen. Daarnaast heeft appellant de minister geïnformeerd over de ontvangen lijfrente in de maanden april tot en met september 2013.

1.3.

De minister heeft de door appellant ontvangen lijfrente verrekend met het door appellant te ontvangen wachtgeld in oktober 2013. Bij besluit van 9 december 2013 heeft de minister besloten dat het bedrag van € 864,70, dat na verrekening overblijft, terug te vorderen. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de minister bij besluit van 8 april 2014 gegrond verklaard op de grond dat de inkomsten die appellant via Reaal heeft genoten over de periode vanaf april tot en met september 2013, ten onrechte op het wachtgeld in mindering zijn gebracht.

1.4.1.

Appellant heeft de minister vervolgens verzocht om vergoeding van, voor zover in dit geding van belang, schade ten bedrage van € 4.314,70, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 september 2013. Dit zijn kosten die Reaal bij appellant in rekening heeft gebracht in verband met de, later onnodig gebleken, beëindiging van de

(lijfrente-uitkeringen van de) afgesloten koopsompolis. Volgens appellant heeft de minister onrechtmatig gehandeld. Met het besluit van 8 april 2014 staat niet alleen de onrechtmatigheid vast van het besluit van 9 december 2013, maar ook van het e-mailbericht van 22 augustus 2013. Een medewerker van WWplus heeft in dit e-mailbericht aan een collega van appellant informatie verstrekt over verrekening van ontvangen ontslagvergoedingen met het wachtgeld. Dit e-mailbericht is voor appellant aanleiding geweest Reaal te verzoeken om de lijfrente-uitkeringen te beëindigen.

1.4.2.

De minister heeft bij besluit van 28 mei 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 augustus 2014, geweigerd de gevraagde schade te vergoeden.

1.5.

Bij verzoekschrift van 1 oktober 2014 heeft appellant de rechtbank verzocht om, voor zover in dit geding van belang, op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de minister te veroordelen tot vergoeding van de onder 1.4.1 genoemde schade.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding, omdat het

e-mailbericht van 22 augustus 2013 en de, naar appellant heeft gesteld, telefonisch aan hem verstrekte informatie niet zijn aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb of een andere onrechtmatige handeling als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

4.1.2.

Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:

a. een onrechtmatig besluit;

b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;

c. het niet tijdig nemen van een besluit;

d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.

4.1.3.

Ingevolge artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb - voor zover hier van belang - wordt met een besluit gelijk gesteld een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig belanghebbende is.

4.2.1

Tussen partijen is niet in geschil dat het besluit van 9 december 2013 is aan te merken als een onrechtmatig besluit.

4.2.2.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het e-mailbericht van 22 augustus 2013 niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb of als een handeling als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder b of d van de Awb. Met het e-mailbericht werd informatie verstrekt aan een collega van appellant. Het was niet gericht aan appellant en er was op dat moment geen sprake van een door de minister ten aanzien van appellant te nemen besluit, in samenhang waarmee en in voorbereiding waarvan het

e-mailbericht is verstuurd. De Raad onderschrijft op zichzelf beschouwd wat de rechtbank heeft overwogen over dit e-mailbericht.

4.2.3.

Appellant heeft daarnaast gesteld dat hij, na kennis te hebben genomen van het

e-mailbericht van 22 augustus 2013, telefonisch contact heeft gezocht met een medewerker van WWplus. De in dit telefoongesprek verstrekte informatie kwam overeen met de informatie uit het e-mailbericht en heeft er volgens appellant toe geleid dat hij de koopsompolis bij Reaal heeft beëindigd. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de omstandigheid dat appellant zijn stelling niet heeft onderbouwd en niet duidelijk is wat gedurende het gestelde telefoongesprek over en weer is gecommuniceerd, niet met zich brengt dat de rechtbank niet bevoegd was om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen. Appellant heeft immers een – gestelde onrechtmatige – handeling ter voorbereiding van het onrechtmatige besluit van 9 december 2013 aangewezen ten gevolge waarvan hij stelt schade te hebben geleden. Daarmee is de bevoegdheid van de bestuursrechter gegeven. Dit betekent dat de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding. Dit laat evenwel onverlet dat ook ter zitting niet duidelijk is geworden wat gedurende het gestelde telefoongesprek is besproken. Daarom is er onvoldoende grond voor toewijzing van het verzoek.

4.3.

Gelet op wat in 4.2.3 is overwogen slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

4.4.

Aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de kosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 992,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling van vergoeding van schade af;

- veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 992,-;

- bepaalt dat de minister aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 251,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2016.

(getekend) B.J. van de Griend

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD