Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4492

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2016
Datum publicatie
25-11-2016
Zaaknummer
16/1692 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op goede grond ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Ongewenste intimiteiten. Onprofessioneel, grensoverschrijdend gedrag. Geen sprake van een psychische stoornis. De aard van de functie in combinatie met de aard en de ernst van het grensoverschrijdende gedrag maakt dat de minister in dit geval van het bieden van een verbeterkans mocht afzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1692 AW

Datum uitspraak: 24 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

2 februari 2016, 14/9020 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. M.H. Welter hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Welter. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.D. Maassen, R.P.J. Geenen MBA en drs. H.J.C. Struijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreidere weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2.

Appellant was werkzaam als [functie] bij de [naam dienst] van het Ministerie van Defensie.

1.3.

In augustus 2012 zijn twee vrouwelijke masterstudenten van de Universiteit [faculteit] , Van L en K, begonnen met een stage bij de [naam dienst] . Appellant was de stagebegeleider van Van L en fungeerde als raadsman van K. Hij heeft beiden verteld over in zijn jeugdjaren ondervonden misbruik. Daarnaast heeft hij met K een vriendschappelijke relatie aangeknoopt die is uitgemond in door K niet gewenste intimiteiten. Naar aanleiding hiervan heeft de minister op 28 januari 2013 van beide stagiaires een melding van onprofessioneel, grensoverschrijdend gedrag van appellant jegens hen ontvangen.

1.4.

Na het daartoe strekkende voornemen aan appellant bekend te hebben gemaakt en hem daarover gehoord te hebben, heeft de minister appellant bij besluit van 22 mei 2013 met toepassing van artikel 121, eerste lid, aanhef en onder g, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie per 1 juli 2013 ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Volgens de minister heeft appellant zich onprofessioneel en grensoverschrijdend gedragen en een gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef aan de dag gelegd waardoor zijn positie en geloofwaardigheid als [functie] zijn aangetast.

1.5.

Bij besluit van 18 november 2014 (bestreden besluit) heeft de minister het tegen het besluit van 22 mei 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Alvorens tot de aangevallen uitspraak te komen heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst en de minister in de gelegenheid gesteld om alsnog onderzoek te doen naar de vraag of de ongeschiktheid van appellant (mede) voortkomt uit of samenhangt met een ziekte of gebrek. Na kennisneming van de resultaten van het door de minister uitgevoerde onderzoek heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de minister met het op 24 augustus 2015 opgestelde rapport van drs. H.M.J. Vandenboorn, GZ-psycholoog bij de medische dienst van Defensie, alsnog voldoende heeft gemotiveerd dat de ongeschiktheid van appellant geen medische oorzaak heeft. Vandenboorn heeft na uitputtend onderzoek geconcludeerd dat bij appellant in de periode van het grensoverschrijdende gedrag geen sprake was van een psychische stoornis. Dit oordeel is onderschreven door de commissie MGO (bestaande uit drie verzekeringsartsen) die appellant heeft onderzocht ten tijde van zijn behandeling voor PTSS. In het andersluidende, onvoldoende gemotiveerde oordeel van
drs. J.A.F. van der Veen, de behandelaar van appellant en destijds eveneens psycholoog bij de medische dienst van Defensie, heeft de rechtbank onvoldoende aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van Vandenboorn. De rechtbank heeft verder overwogen dat appellant geen verbeterkans behoefde te worden geboden. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de functie van appellant een vertrouwensfunctie is. Appellant moet daarin autonoom opereren en kan niet onder dagelijks toezicht worden gesteld. Hij moet daarom zelf in staat zijn om de professionele grenzen te bewaken en te handhaven. Wanneer die grenzen niet in acht worden genomen, kan dit ernstige gevolgen hebben. Nu het gedrag van appellant geen medische oorzaak had, kan niet worden gesteld dat de kans op herhaling nihil is.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de minister hem ten onrechte een verbeterkans heeft onthouden. Hij heeft onder verwijzing naar de bevindingen van Van der Veen betoogd dat hij tot zijn grensoverschrijdende gedragingen is gekomen onder invloed van psychische klachten (PTSS met herbelevingen), dat hij voor die klachten succesvol is behandeld en dat herhaling van het grensoverschrijdende gedrag niet is te verwachten. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte doorslaggevende betekenis toegekend aan het rapport van Vandenboorn, althans miskend dat ook Vandenboorn meent dat sprake was van een herbeleving.

4.2.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat, gelet op het rapport van Vandenboorn, niet aannemelijk is dat aan de ongeschiktheid van appellant een medische oorzaak ten grondslag ligt. In zijn uitvoerige rapport van 24 augustus 2015 heeft Vandenboorn de andersluidende bevindingen van Van der Veen uitgebreid en overtuigend weerlegd. Vandenboorn heeft geconcludeerd dat de diagnostische conclusie van Van der Veen summier is onderbouwd. Vandenboorn heeft erop gewezen dat voor de diagnose PTSS aan meerdere specifieke criteria moet zijn voldaan. Hij heeft uitvoerig en gemotiveerd betoogd dat in het geval van appellant aan meerdere criteria niet wordt voldaan en dat de diagnose PTSS daarom niet kan worden gesteld. Vandenboorn heeft er verder op gewezen dat voor de diagnose PTSS onder andere als eis geldt dat herbelevingen zich voortdurend - dus niet af en toe - voordoen. Dat hij heeft aanvaard dat bij appellant sprake was van een herbeleving doet daarom niet af aan zijn overtuigende conclusie dat aan meerdere criteria niet wordt voldaan om van een PTSS te kunnen spreken en dat bij appellant ten tijde van het grensoverschrijdende gedrag geen sprake was van een psychische stoornis.

4.3.

De Raad is verder met de rechtbank van oordeel dat hier sprake is van een situatie waarin de minister appellant geen verbeterkans, zoals die voor een ongeschiktheidsontslag als hier in geding in beginsel is vereist, hoefde te bieden. De functie van [functie] is een vertrouwensfunctie waarin sprake is van een één-op-één relatie tussen raadsman en cliënt. Een goede vervulling van de functie vereist vertrouwen van de cliënt in de raadsman en vertrouwelijkheid van de gesprekken tussen raadsman en cliënt. Daarbij is geen ruimte voor het houden van direct toezicht op de raadsman. Een [functie] moet dan ook zelf in staat zijn om de professionele grenzen te bewaken en te handhaven. De minister heeft het risico mogen uitsluiten dat appellant die grenzen opnieuw zou overschrijden. Daarbij is ook van belang dat appellant ten tijde van zijn grensoverschrijdend gedrag, waaraan geen medische oorzaak ten grondslag lag, en ook nog geruime tijd erna, niet, althans onvoldoende, het besef had dat hij te ver was gegaan. De aard van de functie van [functie] in combinatie met de aard en de ernst van het grensoverschrijdende gedrag maakt dat de minister in dit geval van het bieden van een verbeterkans mocht afzien.

4.4.

Appellant heeft verder nog gesteld dat het [naam zendende organisatie] , als zendende organisatie, er geen probleem mee heeft dat hij zijn dienstverband als humanistisch [functie] bij Defensie voortzet. Daargelaten of deze stelling juist is, is bepalend dat het tot de bevoegdheid van de minister behoort om appellant al dan niet ontslag te verlenen. De minister hoeft zich daarbij niet te laten leiden door de opvatting van het [naam zendende organisatie] .

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M. Kraefft en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2016.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) J. Tuit

HD