Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4490

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2016
Datum publicatie
25-11-2016
Zaaknummer
16/349 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:7742, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk strafontslag op goede gronden ten uitvoer gelegd. Plichtsverzuim bestaande uit handelen in strijd met verzuimprotocol, indienen onjuiste declaratie en ander onbetrouwbaar gedrag. Nu betrokkene zich kort na het opleggen van het voorwaardelijk strafontslag wederom aan ernstig plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt, heeft het college mogen vaststellen dat de maat vol was en kon van het college niet worden verlangd af te zien van tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag. Het incidenteel hoger beroep van het college betreft een voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, zodat dit, nu het hoger beroep van betrokkene niet slaagt, geen bespreking behoeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 349 AW, 16/1501 AW

Datum uitspraak: 24 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van

23 november 2015, 15/2328 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland (college)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. E.S. van Aken, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft zijn zienswijze omtrent het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht en een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2016. Namens betrokkene is

mr. Van Aken verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. R.J. Wesel en W.C.J. Kommeren.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was sinds 1990 in dienst bij de gemeente Schouwen-Duiveland, laatstelijk in de functie van [functie] bij het [naam dienst]

1.2.

Bij besluit van 9 september 2014 heeft het college, voor zover thans van belang, aan betrokkene voorwaardelijk strafontslag opgelegd met een proeftijd van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van oplegging van de straf. Aan deze disciplinaire straf ligt handelen in strijd met het verzuimprotocol ten grondslag. Dit handelen is als ernstig plichtsverzuim aangemerkt, omdat betrokkene zich bij herhaling schuldig heeft gemaakt aan (soortgelijk) plichtsverzuim en alle waarschuwingen in de vorm van schriftelijke berispingen, een opgelegde boete en de inhouding van verlof geen effect op hem bleken te hebben. Betrokkene heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Na het voornemen daartoe kenbaar te hebben gemaakt en na kennisneming van de zienswijze van betrokkene heeft het college bij besluit van 4 november 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 maart 2015 (bestreden besluit), het voorwaardelijk strafontslag tenuitvoergelegd met ingang van 6 november 2014. Hieraan is het volgende ten grondslag gelegd. Betrokkene heeft een declaratie voor het verrichten van piketdiensten in de periode van 18 september tot en met 25 september 2014 ingediend, terwijl hij in deze periode drie dagen ziek is geweest. Hiermee heeft hij zich opnieuw schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Verder heeft betrokkene ook anderszins onbetrouwbaar gedrag vertoond. Betrokkene heeft eind augustus 2014 aan vdB, uitvoerder [naam dienst], om verlof verzocht en daarbij ten onrechte gezegd genoeg verlof te hebben, als gevolg waarvan hem verlof is verleend en het aantal te veel opgenomen verlofdagen verder is toegenomen. Ook heeft betrokkene D, leidinggevende, verteld niets te weten van een betalingsachterstand van gemeentelijke belastingen, terwijl de invorderingsambtenaar daarover op dat moment al met hem had gesproken. Het college realiseert zich dat de privéomstandigheden van betrokkene niet eenvoudig zijn en het besluit ingrijpend is. Tegen de achtergrond van een historie aan plichtsverzuim en aanverwant gedrag, waarbij betrokkene meermalen is gewaarschuwd voor zwaardere straffen en veelvuldig met hem is gesproken om hem op het goede spoor te krijgen, is echter toch besloten tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en hiertoe, samengevat, het volgende overwogen. Betrokkene heeft een declaratieverzoek ingediend voor een hele piketweek, terwijl hij in die week drie dagen ziek was en zijn dienst door een ander is overgenomen. Nu op het declaratieformulier geen melding is gemaakt van het ziekteverzuim of het ruilen van de piketdienst gedurende enkele dagen, kan daaruit worden afgeleid dat betrokkene heeft beoogd om de piketdienst over de gehele periode van 18 september 2014 tot en met 25 september 2014 te declareren. Door voor de dagen dat hij ziek was toch een declaratie in te dienen, is sprake van ernstig plichtsverzuim. Hoewel piketdiensten onderling worden geruild, is niet aannemelijk dat het gebruikelijk was om niet-gewerkte uren toch te declareren en vervolgens onderling te compenseren. Het college heeft dit immers ontkend en betrokkene heeft het niet aannemelijk gemaakt. Nu de gedraging inzake de verlofaanvraag heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de proeftijd, kan die gedraging niet ten grondslag worden gelegd aan de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag. Van het onjuist voorlichten door betrokkene van zijn leidinggevende over de betalingsachterstand kan niet worden gezegd dat sprake is van ernstig plichtsverzuim, zodat ook die gedraging, gelet op artikel 16:1:2, derde lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst, niet ten grondslag kan worden gelegd aan de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag. Het ernstig plichtsverzuim inzake de declaratie kan betrokkene worden toegerekend, zodat het college bevoegd was om het voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer te leggen. Het college heeft bij afweging van de belangen in redelijkheid gebruik kunnen maken van deze bevoegdheid.

3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

Het hoger beroep van betrokkene
3.1. Betrokkene heeft herhaald dat de wijze van indiening van zijn declaratie overeenstemde met de gebruikelijke praktijk in de loop der jaren en dat dan ook geen sprake was van ernstig plichtsverzuim. De Raad kan zich hierin niet vinden en verwijst hiertoe naar de

onder 2 weergegeven overwegingen van de rechtbank ter zake. De Raad kan zich met die overwegingen verenigen en maakt deze tot de zijne.

3.2.

Betrokkene heeft verder, mede onder overlegging van een recent bericht van zijn psycholoog, betoogd dat, gelet op zijn moeilijke persoonlijke situatie die bij het college bekend was en zijn langdurig dienstverband, zijn belangen ten onrechte minder zwaar zijn gewogen dan die van het college. Dit betoog slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT2637) kan alleen onder bijzondere omstandigheden van een bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke disciplinaire straf in een geval waarin de voorwaarde voor die tenuitvoerlegging is vervuld. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is hier geen sprake. Weliswaar is bij betrokkene sprake van moeilijke persoonlijke omstandigheden en een langdurig dienstverband, maar hier staat tegenover, zoals het college terecht heeft vastgesteld, dat betrokkene zich vele malen aan plichtsverzuim en aanverwant gedrag schuldig heeft gemaakt, waarbij hij meermalen is gewaarschuwd voor zwaardere straffen en veelvuldig met hem is gesproken om hem op het goede spoor te krijgen. Nu betrokkene zich kort na het opleggen van het voorwaardelijk strafontslag wederom aan ernstig plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt, heeft het college mogen vaststellen dat de maat vol was en kon van het college niet worden verlangd af te zien van tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag.

3.3.

Uit 3.1 en 3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

Het incidenteel hoger beroep van het college

3.4.

Nu ter zitting is gebleken dat het incidenteel hoger beroep van het college een voorwaardelijk incidenteel hoger beroep betreft, behoeft dit, nu het hoger beroep van betrokkene niet slaagt, geen bespreking.

3.5.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M. Kraefft en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2016.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) J. Tuit

HD