Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4489

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2016
Datum publicatie
25-11-2016
Zaaknummer
16/689 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De minister heeft in redelijkheid kunnen besluiten dat appellant niet wordt voorgedragen voor toewijzing van de geambieerde functie. Discretionaire bevoegdheid. Geen grond voor het oordeel dat het OAC-advies, vanwege de enkele aanwezigheid van majoor als toehoorder, onzorgvuldig tot stand zou zijn gekomen. Appellant is niet afgewezen vanwege het niet hebben voldaan aan de gestelde Hbo-opleidingseis, maar vanwege het ontbreken van bepaalde eigenschappen en vaardigheden om de officiersopleiding te kunnen volgen. Nu appellant niet geschikt werd geacht voor de officiersopleiding en hij uitdrukkelijk niet was vrijgesteld van de officiersopleiding, kwam hij reeds daarom niet in aanmerking voor toewijzing van de geambieerde functie. Of de geambieerde functie wel of niet op juiste gronden aan anderen is aangeboden als uitloopfunctie kan appellant niet baten, nu hij niet de rang van adjudant-onderofficier had, maar die van opperwachtmeester.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/689 MAW

Datum uitspraak: 24 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
14 december 2015, 15/2956 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.M. Groenhart hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. C. Pasman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2.

Appellant is werkzaam als opperwachtmeester bij de Koninklijke Marechaussee (KMar) en heeft in de periode van 18 oktober 2008 tot 21 maart 2011 werkzaamheden verricht bij de [Dienst] ([Dienst]) van de KMar in de functie van senior medewerker [functie].

1.3.

Bij brief van 17 juli 2012 heeft drs. H.J. Beentjes, plaatsvervangend commandant KMar, te kennen gegeven dat in de nieuwe organisatie van de [Dienst] de nieuwe functie van

[geambieerde functie] voorkomt, in de rang van eerste luitenant. Voorts is in deze brief uiteengezet wie op deze nieuwe functie kunnen solliciteren en aan welke voorwaarden moet zijn voldaan. In november 2012 zijn er vacatures opengesteld.

1.4.

Appellant heeft gesolliciteerd naar de functie van [geambieerde functie] (geambieerde functie).

1.5.

Op 11 april 2013 vond een gesprek plaats met de opleidingsadviescommissie (OAC). Aan het einde van het gesprek heeft de voorzitter van de OAC aan appellant te kennen gegeven dat het algehele oordeel van de OAC negatief is.

1.6.

Bij besluit van 1 augustus 2013 heeft de waarnemend commandant van het district KMar West aan appellant meegedeeld dat hij op grond van het advies van de Advies Commissie Functietoewijzing (ACF) niet wordt voorgedragen voor functietoewijzing. De ACF heeft zich gebaseerd op het negatieve advies van de OAC.

1.7.

Bij besluit van 10 maart 2015 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 1 augustus 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij het al dan niet toewijzen van een functie, met inbegrip van de te hanteren

functie-eisen, komt de minister een discretionaire bevoegdheid toe. Dit brengt met zich mee dat de toetsing door de rechter van de gebruikmaking van die bevoegdheid terughoudend moet zijn (zie de uitspraak van 7 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3520). De wijze van uitoefening van die bevoegdheid is onder meer geregeld in de artikelen 20 en volgende van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement (AMAR).

4.2.

Appellant heeft allereerst betoogd dat majoor [naam majoor], plaatsvervangend commandant [Dienst], ten onrechte deel uitmaakte van de OAC en ten onrechte bij de zitting van de OAC aanwezig was. Hierdoor is volgens appellant het OAC-advies niet op de juiste wijze tot stand gekomen, hetgeen aanleiding had moeten zijn om dit advies niet over te nemen. Dit betoog slaagt niet. De minister heeft ter zitting toegelicht dat majoor [naam majoor] als toehoorder bij de zitting van de OAC aanwezig is geweest om eventueel relevante vragen over de functie te kunnen beantwoorden. Dat majoor [naam majoor] in het opleidingsadvies is genoemd als lid van de OAC berust op een fout. Majoor [naam majoor] is volgens de minister niet betrokken geweest bij de totstandkoming van het advies en de Raad heeft geen aanleiding om aan te nemen dat dit anders is. Appellant heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat majoor [naam majoor] zich tijdens de zitting van de OAC heeft opgesteld als toehoorder. Er is geen grond voor het oordeel dat het OAC-advies, vanwege de enkele aanwezigheid van majoor [naam majoor] als toehoorder, onzorgvuldig tot stand zou zijn gekomen.

4.3.

Voorts heeft appellant aangevoerd dat de afwijzing voor de functie ten onrechte is gebaseerd op het niet hebben voldaan aan de gestelde opleidingseis, te weten een

Hbo-opleiding. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Zoals de minister ter zitting heeft benadrukt was appellant niet vrijgesteld van de opleidingseis, maar kon bij gebleken geschiktheid voor de officiersopleiding (waarvoor minimaal een Hbo-opleiding is vereist), een maatwerktraject plaatsvinden. Dat dit de gang van zaken zou zijn is ook beschreven in de onder 1.3 genoemde brief van 17 juli 2012, waarin mededeling is gedaan van de openstelling van de vacature.

4.4.

Uit het OAC-advies blijkt dat bekend was dat appellant voorbestemd was om mogelijk als officier na de opleiding terug te gaan naar de [Dienst]. Zijn opleidbaarheid en geschiktheid zou worden getoetst door de OAC. Hiertoe hebben de afzonderlijke leden van de OAC tijdens het gesprek met appellant scorelijsten bijgehouden, waaruit uiteindelijk een totaalscore bleek. Blijkens het OAC-advies liet het oordeel van de commissie veel twijfel zien. Deze twijfel ontstond vooral doordat appellant geen of weinig beeld had bij zijn ontwikkelpunten en hij ‘breedbespraakt’ bleek te zijn, waardoor hij zijn punt of mening niet maakte of niet duidelijk maakte. Appellant had veel moeite met luisteren en analyseren en kwam besluiteloos over bij de behandeling van de casus. Samen met de positieve aspecten die uit het interview naar voren kwamen, zoals zijn presentatie en sociale betrokkenheid, bleek het algehele oordeel van de commissie negatief te zijn. Uit dit advies blijkt voldoende duidelijk en inzichtelijk op welke gronden de OAC tot zijn advies is gekomen. Met de minister en de rechtbank concludeert de Raad dat appellant niet is afgewezen vanwege het niet hebben voldaan aan de gestelde Hbo-opleidingseis, maar vanwege het ontbreken van bepaalde eigenschappen en vaardigheden om de officiersopleiding te kunnen volgen.

4.5.

De door appellant in hoger beroep overgelegde verklaring van twee collega’s leidt niet tot een ander oordeel. Uit die verklaring blijkt niet dat appellant toch is afgewezen vanwege het niet hebben voldaan aan de Hbo-eis. Appellant heeft nog aangevoerd dat bij aanvang van het gesprek met de OAC één van de leden te kennen heeft gegeven dat hij niet voldeed aan de gestelde Hbo-eis. Appellant heeft hiermee echter niet aannemelijk gemaakt dat deze mededeling de wijze waarop appellant zich vervolgens bij de OAC heeft gepresenteerd of de oordeelsvorming van de OAC zodanig heeft beïnvloed, dat het resultaat anders zou zijn geweest als deze opmerking achterwege was gelaten. Voorts heeft appellant wel gesteld, maar niet inhoudelijk onderbouwd, dat het oordeel van de OAC over zijn opleidbaarheid en geschiktheid voor de officiersopleiding niet juist zou zijn.

4.6.

Uit hetgeen onder 4.4 en 4.5 is overwogen volgt dat de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat appellant niet wordt voorgedragen voor toewijzing van de geambieerde functie. De beroepsgrond van appellant dat de functie ten onrechte aan

adjudant-onderofficieren is aangeboden als uitloopfunctie, waardoor zij ten onrechte zijn vrijgesteld van de officiersopleiding en niet beoordeeld hoefden te worden door de OAC, kan - wat hier verder ook van zij - niet leiden tot een ander oordeel. Immers, nu appellant niet geschikt werd geacht voor de officiersopleiding en hij gelet op de onder 1.3 genoemde brief van 17 juli 2012 uitdrukkelijk niet was vrijgesteld van de officiersopleiding, kwam hij reeds daarom niet in aanmerking voor toewijzing van de geambieerde functie. Of de geambieerde functie wel of niet op juiste gronden aan anderen is aangeboden als uitloopfunctie kan appellant niet baten, nu hij niet de rang van adjudant-onderofficier had, maar die van opperwachtmeester.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2016.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) L.L. van den IJssel

HD