Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4482

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2016
Datum publicatie
28-11-2016
Zaaknummer
15/2052 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2052 WWB

Datum uitspraak: 22 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 20 januari 2015, 13/5387 WWB

Partijen:

[verzoeker] (verzoeker) en [verzoekster] (verzoekster), beiden te [woonplaats]

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (commissie)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekers heeft mr. I.M. van den Heuvel, advocaat, bij brief van 17 maart 2015 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 20 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:80.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 11 oktober 2016. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Heuvel. Voor verzoekster is verschenen mr. Van den Heuvel. Tevens is verschenen H.B. Bouchra, tolk. De commissie heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.V. Suikerbuik.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 14 juli 2011 heeft de commissie de bijstand van verzoeker over de periode van 18 november 2001 tot en met 31 mei 2011 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 130.213,28 van verzoeker teruggevorderd.

1.2.

De commissie heeft het tegen het besluit van 14 juli 2011 gerichte bezwaar bij besluit van 17 januari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De commissie heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat verzoeker zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het feit dat hij eigenaar is van onroerend goed in Marokko. Als gevolg daarvan is over de periode van 18 november 2001 tot en met

31 december 2009 het recht op bijstand niet vast te stellen. Over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 mei 2011 heeft verzoeker te veel vermogen en is het recht op bijstand vast te stellen op nihil.

1.3.

Bij uitspraak van 22 augustus 2013, 13/1363, heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, voor zover van belang, het beroep van verzoeker tegen het besluit van 17 januari 2013 ongegrond verklaard.

1.4.

Namens verzoeker is tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Bij de uitspraak van

20 januari 2015, waarvan herziening wordt gevraagd, heeft de Raad die uitspraak bevestigd.

2. Verzoekers hebben aan hun verzoek het volgende ten grondslag gelegd. Verzoekers hebben, onder overlegging van een “contrat de vente” (koopcontract) van 21 november 2001 van een stuk grond, op de achterzijde voorzien van verschillende stempels, gesteld dat uit dit koopcontract en de officiële registratie daarvan weliswaar niet noodzakelijkerwijs hoeft te blijken dat verzoeker geen eigenaar is van andere onroerende goederen, maar dat duidelijk is dat het onderzoek dat destijds in Marokko is verricht niet volledig is geweest. Verzoekers waren niet - meer - bekend met het bestaan van het koopcontract en de officiële registratie daarvan. Dit werpt een nieuw licht op de uitspraak van de Raad waarvan herziening wordt verzocht. Voor het geval de Raad tot het oordeel zou komen dat dit niet het geval is, wordt verzocht een deskundige te benoemen.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3.2.

Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 20 januari 2015. Deze uitspraak werd gedaan in een geschil tussen verzoeker en de commissie. Verzoekster was in dit geschil geen partij.

3.3.

Uit 3.2 volgt dat verzoekster niet in het verzoek om herziening, voor zover dit op haar betrekking heeft, kan worden ontvangen.

3.4.

In wat door verzoeker bij het verzoek om herziening is aangevoerd heeft de Raad geen feiten of omstandigheden aangetroffen die voldoen aan de drie in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb omschreven cumulatieve voorwaarden.

3.5.

De door verzoeker aangevoerde argumenten kunnen niet slagen omdat, nog daargelaten of deze tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden, reeds niet is voldaan aan het vereiste van artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder b van de Awb. Het - door verzoeker zelf ondertekende - koopcontract en de officiële registratie daarvan zijn geen feiten of omstandigheden die bij verzoeker vóór de uitspraak van 20 januari 2015 niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn.

3.6.

Wat verzoeker ter zitting naar voren heeft gebracht over zijn persoonlijke (sociale en financiële) omstandigheden is evenmin aan te merken als een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb.

3.7.

Voor zover verzoeker beoogt de juistheid van de uitspraak van 20 januari 2015 alsnog te betwisten, kan dit niet tot het door hem beoogde gevolg leiden. Naar vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 januari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS3516) is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening immers niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. Hierin ligt tevens besloten dat voor een opdracht aan een deskundige in deze procedure geen plaats is.

4. Uit 3.3 tot en met 3.7 volgt dat het verzoek om herziening niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover het is ingediend door verzoekster en moet worden afgewezen voor zover het is ingediend door verzoeker.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk, voor zover het is ingediend door

verzoekster;

- wijst het verzoek om herziening af, voor zover het is ingediend door verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door M. ter Brugge, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2016.

(getekend) M. ter Brugge

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD