Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4477

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2016
Datum publicatie
28-11-2016
Zaaknummer
16/1821 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag Bbz 2004. Geen levensvatbaar bedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1821 WWB

Datum uitspraak: 22 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

2 februari 2016, 15/1530 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben op verzoek van de Raad een nader stuk ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2016. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is taxichauffeur en heeft sinds 2007 een eigen taxibedrijf, [naam bedrijf]. In 2007 heeft appellant een aanvraag om een uitkering ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) ingediend en is hem bijstand verleend in de vorm van een geldlening. Een aanvraag op grond van het Bbz 2004 in 2011 heeft het college afgewezen op de grond dat het taxibedrijf van appellant niet levensvatbaar is. Dit heeft geleid tot de uitspraak van 19 augustus 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2779), waarbij de afwijzing in stand is gebleven.

1.2.

Op 7 juli 2014 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd op grond van het Bbz 2004 ter voorziening in de kosten van levensonderhoud. Het college heeft de aanvraag om advies voorgelegd aan Friedeberg Consultancy BV (FCBV). FCBV heeft op 25 augustus 2014 een rapport uitgebracht en is daarin tot de conclusie gekomen dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is. FCBV heeft de ondernemerscapaciteiten van appellant als onvoldoende beoordeeld. Zijn commerciële en financiële kennis en vaardigheden zijn onvoldoende. Bovendien is zijn inzetbaarheid als taxichauffeur onvoldoende. De bedrijfsformule van appellant heeft FCBV eveneens onvoldoende bevonden. [naam bedrijf] is een taxibedrijf zoals er erg veel zijn in Utrecht, daarbij zijn de inzeturen als taxi absoluut onvoldoende. Voorts is de marktsituatie volgens FCBV matig. De lage bezetting van de taxi van appellant bevestigt dat de markt in Utrecht waarschijnlijk verzadigd is. De concurrentiepositie acht FCBV onvoldoende. Alleen door een grote beschikbaarheid is het mogelijk om voldoende omzet te behalen. De beschikbaarheid van [naam bedrijf] is echter zeer gering, aldus FCBV.

1.3.

FCBV heeft gereageerd op opmerkingen van appellant naar aanleiding van het adviesrapport.

1.4.

Bij besluit van 17 oktober 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 februari 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is. Het college heeft daarbij verwezen naar het advies van FCBV en de reactie van FCBV op de opmerkingen van appellant.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Een levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep is volgens artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan. Dit betekent dat het inkomen toereikend dient te zijn om alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan.

4.2.

Voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf is bepalend de situatie van het bedrijf ten tijde van het besluit op de aanvraag, in dit geval dus op 17 oktober 2014. Met eventuele ontwikkelingen na dat tijdstip wordt geen rekening gehouden.

4.3.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn in 1.1 genoemde uitspraak van 19 augustus 2014, mag het college bij de besluitvorming in beginsel uitgaan van het advies van FCBV, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van dat advies of aan de inhoud daarvan.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat FCBV ten onrechte zijn ondernemerscapaciteiten als onvoldoende heeft beoordeeld. FCBV heeft deze in 2007 voldoende geacht en het is niet aannemelijk dat kennis, vaardigheden en persoonlijkheid in tussenliggende jaren veranderen. FCBV heeft aanvankelijk een fout gemaakt door te vermelden dat appellant een boekhoudcursus had gevolgd, in plaats van HBO Bedrijfskunde. Dit is weliswaar gecorrigeerd, maar FCBV heeft verzuimd daarbij ook de conclusie aan te passen.

4.5.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Nog daargelaten de vraag of commerciële en financiële kennis en vaardigheden onveranderlijk zijn, blijkt uit de desbetreffende passages in het rapport, weergegeven onder 1.2, dat bij de beoordeling van de ondernemerscapaciteiten ook de inzetbaarheid van appellant is betrokken. Daarnaast berust de conclusie over de levensvatbaarheid van het taxibedrijf niet alleen op het oordeel over de ondernemerscapaciteiten, maar ook op de beoordeling van de bedrijfsformule, de marktsituatie en de concurrentiepositie. Appellant heeft de beoordeling op deze aspecten niet bestreden. Dat FCBV in eerste instantie niet de juiste opleiding van appellant heeft vermeld, maakt niet dat het rapport onbetrouwbaar is. Anders dan appellant heeft aangevoerd, is voldoende inzichtelijk waarom dit niet tot een ander oordeel over de levensvatbaarheid leidt.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en W.F. Claessens en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2016.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) L.V. van Donk

HD