Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4476

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2016
Datum publicatie
28-11-2016
Zaaknummer
15/253 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Te laat bezwaar gemaakt. Van appellant is mede-teruggevorderd. Het college had ten tijde van het nemen van het besluit in GBA moeten nagaan wat het juiste adres omdat appellant geen bijstand ontving. Appellant is niet verschoonbaar te laat.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/428
JWWB 2017/3
USZ 2017/64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/253 WWB

Datum uitspraak: 22 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 november 2014, 14/4185 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.E.R.M. Verhagen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2016. Namens appellant is

mr. Verhagen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant stond van 18 januari 2006 tot 8 februari 2007 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven op het adres [adres 1] , tezamen met [naam] en hun twee kinderen. Met ingang van laatstvermelde datum stond appellant in de GBA ingeschreven op het adres

[adres 2] . [naam] ontving ten tijde in geding van het college bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Bij besluit van 7 februari 2006 heeft het college de aan [naam] verleende bijstand met ingang van 19 september 2005 ingetrokken. Daaraan heeft het college op basis van een onderzoeksrapportage van 12 februari 2007 ten grondslag gelegd dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met appellant op het adres [adres 1] en dat zij dit in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet had gemeld.

1.3.

Bij besluit van 13 februari 2007 (terugvorderingsbesluit) heeft het college de gemaakte kosten van aan [naam] over de periode van 19 september 2005 tot en met 17 januari 2006 verleende bijstand van zowel [naam] als appellant teruggevorderd tot een bedrag van

€ 4.871,56 bruto. Dit besluit is aan [naam] en appellant tezamen geadresseerd en verzonden naar het adres [adres 1] .

1.4.

Naar aanleiding van een nieuwe aanvraag om bijstand van [naam] , is aan haar met ingang van 12 februari 2007 wederom bijstand toegekend. Nadien heeft de dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam onderzoek gedaan naar de woon- en leefsituatie van [naam] . In dat kader is onder meer [naam] op 14 mei 2007 gehoord en appellant op

15 mei 2007. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van

21 mei 2007.

1.5.

Bij besluit van 12 februari 2013 (invorderingsbesluit), verzonden op 13 februari 2013, heeft het college bepaald dat appellant maandelijks € 128,- dient af te lossen op de nog openstaande, onder 1.3 bedoelde, vordering. Het college heeft appellant daarbij het volgende meegedeeld: “De Dienst Werk en Inkomen heeft op u een vordering van € 4.871,56 in verband met aan u ten onrechte verstrekte bijstand over de periode 1 september 2005 tot en met 17 januari 2006. Wij verwijzen u voor deze vordering naar de terugvorderingsbeschikking van 13 februari 2007.”

1.6.

Op 26 maart 2014 heeft het college een e-mailbericht van mr. Verhagen ontvangen, met als bijlage een brief van 22 februari 2013 van appellant. In dit e-mailbericht heeft

mr. Verhagen gesteld dat appellant eerst met de ontvangst van het invorderingsbesluit bekend is geraakt met het terugvorderingsbesluit. Tevens heeft zij gesteld dat appellant ten tijde van het terugvorderingsbesluit niet meer woonachtig was op het adres [adres 1] en erop gewezen dat hij op dat adres toen ook niet meer stond ingeschreven in de GBA. Tot slot heeft zij - voor zover hier van belang - als haar visie te kennen gegeven dat de brief van 22 februari 2013 van appellant moet worden beschouwd als een bezwaarschrift tegen het terugvorderingsbesluit. In de brief van 22 februari 2013 heeft appellant onder vermelding van het kenmerk van het invorderingsbesluit onder meer het volgende meegedeeld: “Naar aanleiding van dit schrijven deel ik u mee dat ik nooit van de DWI in Amsterdam een bijstand heb ontvangen, want ik heb daar altijd gewerkt. Dus het is onmogelijk dat de DWI aan mij “ten onrechte bijstand vertrekt hebt”, want ik heb het nooit ontvangen, of op mijn rekening gestort gehad.”

1.7.

Het college heeft bedoelde brief van 22 februari 2013 niet in zijn administratie aangetroffen en het e-mailbericht van 26 maart 2014, waarbij de brief van 22 februari 2013 was gevoegd, aangemerkt als moment waarop het bezwaarschrift tegen het terugvorderingsbesluit is ontvangen.

1.8.

Bij besluit van 13 juni 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de bezwaartermijn

niet-verschoonbaar is overschreden. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het terugvorderingsbesluit op de juiste wijze bekend is gemaakt door verzending naar het laatst bij het college bekende adres van appellant, namelijk het adres [adres 1] .

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het college het terugvorderingsbesluit op juiste wijze aan appellant bekend heeft gemaakt door het te verzenden naar het adres [adres 1] .

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt.

Bekendmaking terugvorderingsbesluit

4.2.

In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat het college het terugvorderingsbesluit niet op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt, aangezien hij ten tijde van de verzending van dit besluit niet langer woonde op het adres [adres 1] , waarnaar het besluit is verzonden. Deze beroepsgrond slaagt.

4.3.1.

Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel door de geadresseerde is ontvangen. Het college is hierin niet geslaagd.

4.3.2.

Het college heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat het terugvorderingsbesluit op juiste wijze aan appellant bekend is gemaakt door verzending ervan naar het adres [adres 1] , zodat het moet worden geacht te zijn ontvangen, gewezen op vaste rechtspraak van de Raad. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 10 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2762) heeft het college aan zijn bekendmakingsverplichting als bedoeld in artikel 3:41 van de Awb voldaan als het besluit wordt verzonden naar het laatst bekende adres van de betrokkene, ook al is dit niet meer het adres van de betrokkene en de betrokkene heeft nagelaten het college van de adreswijziging op de hoogte te stellen. Deze rechtspraak is echter in dit geval niet van toepassing. Appellant heeft immers, zoals niet in geschil is, nooit bijstand van het college ontvangen, noch - voor zover de Raad bekend - anderszins met het college enige zakelijke relatie gehad. Anders dan geldt voor bijstandsgerechtigden kon van appellant daarom redelijkerwijs niet worden verwacht dat hij adreswijzigingen aan het college zou melden. Dit geldt temeer nu het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant een tot hem gericht besluit van het college kon verwachten.

4.3.3.

Het college was gelet op het voorgaande voor de juiste adressering van het terugvorderingsbesluit aangewezen op de in de GBA geregistreerde adresgegevens. Uit een Bewijs van opneming in de GBA van de gemeente Breda van 2 augustus 2010, door appellant onder meer in beroep in het geding gebracht, volgt dat appellant vanaf 8 februari 2007 stond ingeschreven op het adres te Bonaire. Ten tijde van het terugvorderingsbesluit, gedateerd op 13 februari 2007, was appellant dus niet meer ingeschreven op het adres waarnaar dat besluit is verzonden.

4.3.4.

Het college heeft naar voren gebracht dat wellicht de adreswijziging op de datum van verzending nog niet in de GBA was doorgevoerd of dat het college de GBA voor het laatst enige dagen voor de verzending heeft geraadpleegd, waardoor van een onjuist GBA-adres is uitgegaan. Deze mogelijke oorzaken van een foutieve adressering komen echter voor rekening en risico van het college en leiden daarom niet tot een ander oordeel.

4.3.5.

Voorts heeft het college, anders dan de rechtbank heeft overwogen, bij de adressering van het terugvorderingsbesluit er redelijkerwijs niet van kunnen uitgaan dat appellant in weerwil van de GBA-registratie op 13 februari 2007 nog zijn woonadres, althans zijn postadres, op de [adres 1] had. Uit de omstandigheid, zoals die uit de verklaringen van

14 en 15 mei 2007 is af te leiden, dat appellant in de betreffende periode regelmatig op het adres [adres 1] aanwezig was en daar tevens een deel van zijn post ontving volgt niet zonder meer dat dit in afwijking van de GBA-registratie als zijn woon- of postadres kon worden aangemerkt. Nu niet is gesteld of gebleken dat appellant afspraken met [naam] had gemaakt over aan hem gerichte, naar haar adres verzonden, post was de feitelijke ontvangst door appellant van die post geheel afhankelijk van het doen en laten van [naam] . Appellant heeft in lijn hiermee niet aan het college bericht dat haar adres als zijn postadres kon worden beschouwd. Het college heeft er daarom niet op mogen vertrouwen dat het terugvorderingsbesluit langs die weg aan appellant bekend was gemaakt. Gelet op het voorgaande kan buiten beschouwing blijven of en zo ja, wanneer en voor hoe lang, appellant daadwerkelijk naar Bonaire is verhuisd.

4.4.

Uit 4.3.1 tot en met 4.3.5 volgt dat het college het terugvorderingsbesluit niet met de verzending ervan op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen is de bezwaartermijn van het terugvorderingsbesluit dan ook niet aangevangen op de dag na de dag van verzending van dat besluit.

4.5.

In het geval een besluit niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt vangt de bezwaartermijn aan op de dag na die waarop het alsnog door de belanghebbende is ontvangen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het terugvorderingsbesluit, zo niet daags na de verzending ervan, wel door toezending van het invorderingsbesluit aan appellant bekend is geworden. Appellant heeft daartegen aangevoerd dat hij pas bekend is geworden met het terugvorderingsbesluit op de dag waarop hij het in het kader van het beroep tegen het bestreden besluit heeft ontvangen, doordat het deel uitmaakte van het procesdossier. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.5.1.

De stelling van appellant dat hij eerst toen van de inhoud van het terugvorderingsbesluit heeft kennisgenomen is niet begrijpelijk in het licht van het feit dat hij reeds bij e-mailbericht van 26 maart 2014 daartegen bezwaar heeft gemaakt. Voorts is in dit verband van betekenis dat mr. Verhagen in dat e-mailbericht namens appellant uitdrukkelijk heeft verzocht om de brief van 22 februari 2013 van appellant aan te merken als bezwaarschrift tegen het terugvorderingsbesluit. Dit verzoek sluit aan op de inhoud van die brief, die gemotiveerde gronden bevat tegen het terugvorderingsbesluit. Verder heeft appellant niet gedurende de bezwaarprocedure verzocht om toezending van het terugvorderingsbesluit, zodat kan worden aangenomen dat dit voor hem niet nodig was voor het bezwaar. Onder deze omstandigheden moet worden aangenomen dat appellant het terugvorderingsbesluit in ieder geval op

22 februari 2013 had ontvangen.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5.1 volgt dat de bezwaartermijn van het terugvorderingsbesluit is aangevangen op 23 februari 2013.

Indiening bezwaarschrift

4.7.

Uit artikel 6:9 van de Awb volgt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen, dan wel, ingeval van verzending per post, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

4.8.

Appellant heeft aangevoerd dat hij het bezwaar tijdig heeft ingediend, namelijk bij brief van 22 februari 2013. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.8.1.

Het college heeft betwist dat hij de brief van 22 februari 2013 heeft ontvangen en ter toelichting meegedeeld dat hij die brief niet in zijn administratie heeft aangetroffen. Het lag op de weg van appellant om het tegendeel aannemelijk te maken. Hij is er echter niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij de brief van 22 februari 2013 daadwerkelijk heeft verzonden. In dit verband is het volgende van betekenis.

4.8.2.

Appellant heeft de brief niet per aangetekende post verzonden, noch met een verzoek om een ontvangstbevestiging.

4.8.3.Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij de brief wel heeft verzonden heeft appellant een schermafdruk van het zogenoemde eigenschappenoverzicht van het desbetreffende computerbestand overgelegd. Dit stuk is als bewijs van zijn stelling echter ontoereikend, nu daarin slechts is vermeld dat het document voor het laatst is opgeslagen op 23 februari 2013, terwijl de optie om te vermelden wanneer het is afgedrukt is opengelaten.

4.8.4.

Appellant heeft verder naar voren gebracht dat zijn brief waarschijnlijk bij het college in het ongerede is geraakt. Het college heeft deze mogelijkheid niet weersproken. Daarbij heeft het college zich echter op het standpunt gesteld dat dit alsdan voor rekening en risico van appellant komt, nu hij in de brief een foutief registratiekenmerk heeft vermeld en de brief heef geadresseerd aan het in het invorderingsbesluit vermelde retouradres in plaats van aan het tevens vermelde adres waar het bezwaarschrift moest worden ingediend. Wat hiervan zij, kan echter verder onbesproken blijven nu het op de weg van appellant lag om aannemelijk te maken dat hij het bezwaarschrift bij het college had ingediend.

4.9.

Uit 4.7 tot en met 4.8.4 volgt dat het college op goede grond de ontvangst van het

e-mailbericht van 26 maart 2014 als moment van ontvangst van het bezwaarschrift heeft aangemerkt. Niet in geschil is dat het college dit bericht heeft ontvangen na afloop van de bezwaartermijn van zes weken, die, zoals onder 4.6 is overwogen, was aangevangen op

23 februari 2013.

Verschoonbaarheid termijnoverschrijding

4.10.

Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.10.1.

Wat appellant heeft aangevoerd vormt geen grond voor het oordeel dat hij redelijkerwijs niet kan worden geacht in verzuim te zijn geweest. Hij heeft, naast de stelling dat het bezwaar reeds op 22 februari 2013 was ingediend, niet toegelicht waarom het bezwaarschrift eerst ruim een jaar na aanvang van de bezwaartermijn is ingediend. Ook overigens is niet gebleken van een reden waarom de termijnoverschrijding verschoonbaar zou moeten worden geacht.

4.11.

Wat onder 4.1 tot en met 4.10.1 is overwogen leidt tot de slotsom dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, zij het niet op geheel juiste gronden. De aangevallen uitspraak zal dan ook, gelet op 4.4 met verbetering van de gronden, worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en F. Hoogendijk en

C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2016.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J.L. Meijer

HD