Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4472

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2016
Datum publicatie
28-11-2016
Zaaknummer
15/2413 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag. Onvoldoende inzicht gegeven in financiële geldstromen. Het recht op bijstand is niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 2413 WWB

Datum uitspraak: 22 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

11 maart 2015, 14/5175 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2016. Namens appellanten is verschenen mr. Van Dijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Klok.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten hebben zich op 14 januari 2014 gemeld voor het aanvragen van (aanvullende) bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 29 januari 2014 hebben zij de aanvraag ingediend.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college bij brief van 29 januari 2014 appellanten verzocht een aantal gegevens over te leggen, waaronder bewijsstukken van de huurbetaling en bankafschriften vanaf 15 oktober 2013. Naar aanleiding van de op de overgelegde gegevens en de op de bankafschriften gebleken stortingen van € 350,- op

18 oktober 2013 en van € 736,60 op 15 november 2013 en bijschrijvingen van € 450,- op

21 november 2013, van € 1.000,- op 8 januari 2014 en van € 125,- op 27 januari 2014 heeft het college appellanten bij brief van 31 maart 2014 verzocht om een schriftelijk ondertekende verklaring over deze transacties op de ING-betaalrekening van appellanten en om bewijsstukken van huurbetaling in de maanden december 2013, januari en februari 2014. Bij brief van 15 april 2014 heeft het college appellanten nogmaals verzocht om de gevraagde gegevens over te leggen. Appellanten hebben op 23 april 2014 een aantal gegevens overgelegd, waaronder een schriftelijke verklaring van appellant en de verhuurder van

15 april 2014 inhoudende dat appellant de huursom van € 680,- elke maand contant betaalt aan de verhuurder en de huur tot en met maart 2014 is voldaan. Tevens heeft appellant een schriftelijke verklaring van 15 april 2014 overgelegd welke verklaring mede is ondertekend door zijn broer [broer] (B). Appellant heeft verklaard dat hij de op 21 november 2013 en 8 januari 2014 bijgeschreven bedragen van zijn broer heeft geleend alsmede een bedrag van

€ 800,- op 26 februari 2014 en van € 80,- op 17 maart 2014, en hij in totaal € 2.330,- van zijn broer heeft geleend. De op 27 januari 2014 en op 6 februari 2014 bijgeschreven bedragen van € 125,- en € 100,- zijn als geschenk van B ontvangen. De storting op 15 november 2013 is afkomstig uit de spaarpot van appellant.

1.3.

Bij besluit van 23 mei 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 oktober 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellanten afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de door appellanten verstrekte gegevens onvoldoende zijn om inzicht te verkrijgen in hun financiële situatie en dat onduidelijk is gebleven hoe zij in de periode van 15 oktober 2013 tot en met 23 mei 2014 in hun levensonderhoud hebben kunnen voorzien. Hierdoor is het recht op bijstand niet vast te stellen.

1.4.

Naar aanleiding van een daartoe ingediende aanvraag heeft het college aan appellanten met ingang van 26 juni 2014 bijstand verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 14 januari 2014 (datum melding) tot en met

23 mei 2014 (datum afwijzingsbesluit).

4.2.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient onder meer duidelijkheid te verschaffen over zijn financiële situatie, zo nodig ook voor de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Indien de betrokkene niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellanten onvoldoende inzicht hebben gegeven in hun financiële situatie. Appellanten hebben wisselende verklaringen afgelegd betreffende de herkomst en de omvang van de van B ontvangen bedragen, de stortingen en bijschrijvingen op hun bankrekeningen en over de (contante) betaling van de huursom. Appellanten hebben eerst verklaard dat de storting van € 736,60 op 15 november 2013 op de bankrekening van appellanten afkomstig is uit een spaarpot van appellant, terwijl appellanten in bezwaar een verklaring van appellant en B van 26 juni 2014 hebben overgelegd, waarin zij hebben verklaard dat deze storting afkomstig is uit een spaarpot van B. Over de storting op

18 oktober 2013 hebben appellanten geen verklaring gegeven. Over de bijschrijvingen op de bankrekening van appellanten afkomstig van B hebben appellanten op 15 april 2013 verklaard dat B een totaalbedrag van € 2.330,- aan appellanten heeft geleend en de bijgeschreven bedragen van € 100,- en € 125,- geschenken zijn, terwijl uit de in bezwaar overgelegde verklaring van appellant en B van 26 juni 2014 betreffende schulden alleen wordt verklaard over leningen van een bedrag van € 1.000,- op 8 januari 2014, een bedrag van € 450,- op

21 november 2013 en het hiervoor genoemde bedrag van € 736,60 dat afkomstig zou zijn uit de spaarpot van B. Voorts heeft appellant op 15 april 2014 verklaard dat hij de huursom over de maanden tot en met maart 2014 contant heeft betaald aan de verhuurder, terwijl appellant en B in de verklaring van 26 juni 2014 hebben verklaard dat B vanaf februari 2014 de huur direct betaalt aan de verhuurder. Appellanten hebben de herkomst van de stortingen en de middelen waarmee de huur is betaald echter niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens inzichtelijk gemaakt. De contante stortingen en huurbetalingen duiden op de aanwezigheid van een contante geldstroom naast de bankrekening van appellanten. Te meer nu appellanten tijdens de hoorzitting hebben verklaard dat zij de reis naar Turkije in

december 2013 (deels) hebben bekostigd met geld uit een (andere) spaarpot. Ten aanzien van de spaarpot en de omvang daarvan hebben appellanten ook geen objectieve en verifieerbare gegevens verstrekt.

4.4.

Gelet op 4.1 tot en met 4.4 hebben appellanten niet voldaan aan de op hen rustende inlichtingenverplichting met als gevolg dat de financiële situatie van appellanten onduidelijk is gebleven. Als gevolg hiervan is het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet vast te stellen. De omstandigheid dat het college bij besluit van 31 oktober 2014 de aanvraag van

26 juni 2014 heeft gehonoreerd, maakt dit niet anders nu dit besluit is gebaseerd op een beoordeling van de financiële positie van appellanten over een andere periode die - zoals door het college is gesteld en door appellanten niet is betwist - gewijzigd is ten opzichte van die welke in het onderhavige geding aan de orde is, onder andere door de betaling van de huursom per bank en het ontbreken van bijschrijvingen. Het college heeft dan ook terecht de aanvraag van appellanten afgewezen.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor toewijzing van het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade bestaat dan ook geen grond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2016.

(getekend) G.M.G. Hink

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD