Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4448

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
24-11-2016
Zaaknummer
14/3253 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met het nieuwe besluit is geheel tegemoet gekomen aan het beroep van appellant. Onrechtmatig besluit, maar geen toewijzing om schadevergoeding. Zoals CIZ terecht heeft aangevoerd dient appellant zich met het nieuwe indicatiebesluit eerst tot het Zorgkantoor in zijn regio te wenden om de kosten van de geïndiceerde zorg op basis van een pgb vergoed te krijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3253 AWBZ en 16/4962 AWBZ

Datum uitspraak: 23 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
29 april 2014, 14/559 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

CIZ

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Bijlsma hoger beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2016. Namens appellant is verschenen mr. Bijlsma. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door
I.C.J.G. van Maris-Kindt en T. Hoolsema.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld om nader overleg te voeren.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De Raad heeft CIZ verzocht nader onderzoek te verrichten.

CIZ heeft op 6 juni 2016 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Appellant heeft een zienswijze ingediend.

CIZ heeft hierop een reactie gegeven.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft op 5 juli 2013 een indicatie voor zorg als bedoeld in de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) aangevraagd.

1.2.

Bij besluit van 23 juli 2013 heeft CIZ appellant geïndiceerd voor Persoonlijke verzorging, klasse 3, voor de periode van 16 juli 2013 tot en met 16 juli 2028.

1.3.

Bij besluit van 11 december 2013 (bestreden besluit) heeft CIZ het tegen het besluit van 23 juli 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, dat besluit herroepen en, rekening houdend met het verbod van reformatio in peius, appellant geïndiceerd voor Persoonlijke verzorging, klasse 3, voor de periode van 16 juli 2013 tot en met 6 maart 2014. Aan dit besluit heeft CIZ onder verwijzing naar een medisch advies van 28 oktober 2013 ten grondslag gelegd dat behandeling op grond van de Zorgverzekeringswet voorliggend is op de inzet van AWBZ-zorg.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

3.2.

Hangende hoger beroep heeft CIZ het besluit van 6 juni 2016 genomen. Daarbij heeft CIZ het bestreden besluit ingetrokken en ter vervanging van het besluit van 23 juli 2013 appellant geïndiceerd voor Persoonlijke verzorging, klasse 3, voor de periode van 16 juli 2013 tot uiterlijk 31 december 2015 of tot de datum waarop de zorgverzekeraar (wijkverpleegkundige) een nieuwe indicatie verleent.

3.3.

Appellant heeft de Raad bericht dat het besluit van 6 juni 2016 volledig tegemoet aan het beroep. Appellant verzoekt wel om vergoeding van de schade die hij ten gevolge van het onrechtmatige bestreden besluit heeft geleden. De schade bestaat uit het over de periode van
1 januari 2015 tot 23 maart 2015 niet uitbetaalde persoonsgebonden budget (pgb), inclusief de wettelijke vertragingsrente. Verder heeft appellant verzocht om vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit van 6 juni 2016 komt geheel tegemoet aan het beroep van appellant. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt dit besluit niet in de beoordeling betrokken.

4.2.

CIZ heeft het bestreden besluit ingetrokken, omdat de einddatum van de indicatie op grond van de AWBZ is gewijzigd. Hieruit volgt dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Deze onrechtmatigheid dient aan CIZ te worden toegerekend. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond moet worden verklaard en dat dit besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb.

4.3.

De Raad kan het verzoek van appellant om schadevergoeding inclusief de wettelijke vertragingsrente niet toewijzen. Zoals CIZ terecht heeft aangevoerd dient appellant zich met het indicatiebesluit van 6 juni 2016 eerst tot het Zorgkantoor in zijn regio te wenden om de kosten van de geïndiceerde zorg op basis van een pgb vergoed te krijgen. Vooralsnog is niet gebleken dat het Zorgkantoor deze kosten niet of niet volledig aan appellant wil vergoeden, zodat op dit moment over (de omvang van) de door appellant gestelde schade geen oordeel kan worden gegeven. Appellant kan zich zo nodig met een verzoek om schadevergoeding tot CIZ wenden als het Zorgkantoor over het pgb heeft beslist.

5.1.

Appellant heeft in hoger beroep een medisch advies van 19 september 2014 van revalidatiearts W. Hokken overgelegd en verzocht om vergoeding van de kosten daarvan tot een bedrag van € 2.223,38. Deze kosten dienen te worden aangemerkt als kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Nu de kosten hiervan voldoende zijn gespecificeerd, komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking.

5.2.

Aanleiding bestaat voorts om CIZ te veroordelen in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand van appellant. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep en op € 1.240,- in hoger beroep. Van gemaakte proceskosten in bezwaar is niet gebleken. De reiskosten van appellants partner naar Utrecht komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat zij niet kan worden aangemerkt als partij, belanghebbende, getuige of deskundige.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 11 december 2013 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

  • -

    veroordeelt CIZ tot vergoeding van de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 4.455,38;

  • -

    bepaalt dat CIZ aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van
M.D.F. Smit‑de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
23 november 2016.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) M.D.F. Smit‑de Moor

SS