Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4433

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2016
Datum publicatie
28-11-2016
Zaaknummer
16/2066 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor reiskosten begrafenis familielid. Geen incidentele voorkomende kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2066 PW

Datum uitspraak: 8 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

22 februari 2016, 15/3839 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft zijn moeder, [naam moeder], hoger beroep ingesteld. Op 25 juni 2016 heeft [naam moeder] medegedeeld niet langer als gemachtigde op te zullen treden en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2016. Appellant, daartoe opgeroepen, is niet verschenen. Het college heeft zich, daartoe eveneens opgeroepen, laten vertegenwoordigen door F.X. Pouwels.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 5 februari 2013 bijstand, ten tijde hier van belang op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), nu genaamd Participatiewet (PW).

1.2.

Op 23 maart 2015 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor reiskosten naar het uitvaartcentrum te Emmen in verband met het afscheid nemen van zijn overleden oom en het tekenen van het condoleanceregister op 23 maart 2015. Daarnaast heeft appellant bijzondere bijstand voor de kosten van een bloemtak van € 66,50 aangevraagd.

1.3.

Bij besluit van 3 juli 2015 heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor reiskosten afgewezen op de grond dat deze kosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die uit het normale inkomen dienen te worden voldaan. De aanvraag voor kosten van een bloemtak heeft het college afgewezen op de grond dat geen sprake is van noodzakelijke kosten.

1.4.

Op 24 maart 2015 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor reiskosten naar de uitvaartplechtigheid van zijn oom op 24 maart 2015 en de crematie op diezelfde dag.

1.5.

Bij besluit van eveneens 3 juli 2015 heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor deze kosten afgewezen de grond dat deze kosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die uit het normale inkomen dienen te worden voldaan.

1.6.

Bij besluit van 29 september 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 3 juli 2015 ongegrond verklaard. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de reiskosten behoren tot de incidenteel voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan, die uit het normale inkomen dienen te worden voldaan. De kosten van de bloemtak zijn geen noodzakelijke kosten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het voor appellant van belang kan zijn geweest om een bloemtak mee te brengen naar de uitvaartplechtigheid van zijn oom, maar strikt noodzakelijk was het niet. Ten aanzien van de reiskosten heeft de rechtbank overwogen dat dit incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan betreffen, die in beginsel dienen te worden bestreden uit de bijstandsnorm. Afzonderlijke bijstandsverlening voor deze kosten is niet mogelijk, tenzij de kosten noodzakelijk zijn als gevolg van bijzondere omstandigheden in het individuele geval, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Van dergelijke omstandigheden is volgens de rechtbank evenwel niet gebleken. Het college heeft de aanvragen om bijzondere bijstand terecht afgewezen.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat de reiskosten naar de begrafenis van zijn oom niet behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Daarnaast is appellant van mening dat andere gemeenten, zoals Zwolle, wel bijzondere bijstand toekennen in verband met reiskosten in verband het met bezoeken van een uitvaart naar familie in de eerste of tweede graad.

4.2.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dat wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Hij voegt daaraan nog het volgende toe. Anders dan appellant stelt behoren de reiskosten naar de uitvaartplechtigheid en het tekenen van het condoleanceregister wel tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten die in beginsel uit de bijstand dienen te worden bestreden. Daartoe is van belang dat iedereen op een gegeven moment voor dergelijke kosten komt te staan. Het tijdstip van overlijden van naaste familie is weliswaar onzeker, maar het overlijden op zichzelf niet. De rechtbank is dan terecht tot haar onder 2 weergegeven oordeel gekomen.

4.3.

Appellant beroept zich op het beleid van de gemeente Zwolle op grond waarvan reiskosten naar een uitvaart van eerste en tweede graad familie wel worden vergoed. Nog afgezien van het feit dat appellant en zijn oom familie in de derde graad zijn, heeft dit beleid geen betrekking op de gemeente Hoogeveen en bindt dit beleid het college dus niet. Appellant kan dan ook geen aanspraken aan dit beleid ontlenen.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2016.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD