Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4431

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2016
Datum publicatie
28-11-2016
Zaaknummer
16/2065 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag 2014. Niet met terugwerkende kracht. Niet voldaan aan beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2065 PW, 16/5518 PW

Datum uitspraak: 8 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

2 maart 2016, 15/3787 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft zijn moeder, [naam moeder], hoger beroep ingesteld. Op 25 juni 2016 heeft [naam moeder] medegedeeld niet langer als gemachtigde op te zullen treden en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2016. Appellant, daartoe opgeroepen, is niet verschenen. Het college heeft zich, daartoe eveneens opgeroepen, laten vertegenwoordigen door F.X. Pouwels.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 5 februari 2013 bijstand, ten tijde hier van belang op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), nu genaamd Participatiewet (PW).

1.2.

Appellant heeft op 23 maart 2015 langdurigheidstoeslag over het jaar 2014 aangevraagd. Bij brief van 12 mei 2015 heeft het college appellant medegedeeld dat vanaf 1 januari 2015 de Regeling individuele inkomenstoeslag kan worden aangevraagd. Het college heeft appellant in de gelegenheid gesteld om deze toeslag aan te vragen en heeft hem daartoe met het oog op de toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn gesteld tot en met 26 mei 2015.

1.3.

Bij besluit van 22 juni 2015 heeft het college de aanvraag van appellant buiten behandeling gesteld.

1.4.

Bij besluit van 29 september 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 juni 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 22 juni 2015 herroepen. De rechtbank heeft overwogen dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat de brief van 12 mei 2015 naar het adres van appellant is verzonden.

3. Bij besluit van 19 april 2016 (nader besluit) heeft het college opnieuw op de aanvraag van appellant van 23 maart 2015 beslist. Bij dat besluit heeft het college de aanvraag van appellant om langdurigheidstoeslag over 2014 afgewezen op de grond dat het een aanvraag met terugwerkende kracht betreft en geen bijzondere omstandigheden bestaan, die afwijking daarvan rechtvaardigen. Appellant voldoet verder niet aan de voorwaarden om alsnog in aanmerking te komen voor langdurigheidstoeslag over 2014 met terugwerkende kracht, omdat hij in 2013 geen langdurigheidstoeslag heeft ontvangen. Het nader besluit wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

4. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Artikel 36, eerste lid, van de WWB, zoals die bepaling tot 1 januari 2015 luidde, bepaalt dat het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag verleent aan een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.

5.2.

Appellant heeft op 23 maart 2015 langdurigheidstoeslag over 2014 aangevraagd. Bij Wet van 19 juni 2013 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2013), Stb. 2013, 236, is artikel 36 van de WWB in die zin gewijzigd dat artikel 44 van de WWB, anders dan voorheen, eveneens van toepassing is op aanvragen om een langdurigheidstoeslag. In gevolge het Besluit van 24 juni 2013 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Verzamelwet SZW 2013,

Stb. 2013, 261, is deze wetswijziging op 1 juli 2013 in werking getreden. Daarbij is geen overgangsrecht bepaald.

5.3.

Volgens vaste rechtspraak inzake de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB (uitspraak van 12 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8362) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

5.4.

Uit 5.2 en 5.3 volgt dat het college, behoudens bijzondere omstandigheden, op de aanvraag van appellant in 2015 geen langdurigheidstoeslag over 2014 diende toe te kennen. Appellant heeft voorts geen bijzondere omstandigheden als in 5.3 bedoeld aangevoerd op grond waarvan kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop appellant zich heeft gemeld om bijstand.

5.5.

Blijkens het nader besluit voert het college ten aanzien van aanvragen om langdurigheidstoeslag met terugwerkende kracht het als buitenwettelijk begunstigend te kwalificeren beleid dat deze toeslag over 2014 alleen nog kan worden aangevraagd met terugwerkende kracht, indien de betrokkene in 2013 langdurigheidstoeslag heeft ontvangen, maar in 2014 nog niet. De aard van dit beleid brengt mee dat de bestuursrechter slechts toetst of het college dit beleid consistent toepast.

5.6.

Niet in geschil is dat appellant in 2013 geen langdurigheidstoeslag heeft ontvangen. Het college heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in het in 5.5 genoemde beleid. Het college heeft daarom vervolgens de aanvraag terecht met toepassing van artikelen 43 en 44 van de WWB afgewezen.

5.6.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen termijn heeft gesteld waarbinnen opnieuw op de aanvraag moet zijn beslist. De rechtbank heeft het bestreden besluit en het besluit van 22 juni 2015 herroepen. Als gevolg daarvan diende het college opnieuw op de aanvraag van appellant te beslissen. Uit artikel 4:13, tweede lid, van de Awb volgt dat het college binnen acht weken na de aanvraag, of in dit geval na de uitspraak van de rechtbank, op die aanvraag dient te beslissen. De rechtbank was niet gehouden om in plaats van deze wettelijke beslistermijn een andere termijn te stellen. Deze beroepsgrond kan dan ook niet slagen.

5.7.

Appellant heeft aangevoerd dat het college niet alle kosten die hij heeft gemaakt heeft vergoed. De Raad begrijpt deze beroepsgrond aldus dat de rechtbank ten onrechte niet heeft bepaald dat het college het door appellant betaalde griffierecht dient te vergoeden. Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank heeft weliswaar in overweging 3.2 overwogen dat het college het griffierecht dient te vergoeden voor zover appellant griffierecht heeft betaald, maar zij heeft verzuimd dat in het dictum op te nemen. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad bepalen dat het college het griffierecht aan appellant dient te vergoeden voor zover appellant deze kosten heeft voldaan en daarin nog niet is voorzien door middel van vergoeding vanuit de bijzondere bijstand.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, omdat niet is gebleken van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij in het dictum niets heeft

bepaald omtrent de vergoeding van het griffierecht;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 19 april 2016 ongegrond;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 169,- vergoedt, voor zover daarin niet reeds is voorzien door middel van

toekenning van bijzondere bijstand.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen

als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2016.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD