Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4430

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
28-11-2016
Zaaknummer
14/6828 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte geweigerde dwangsom. De ingebrekestelling is ingediend per fax. De fax is een elektronische wijze van verzenden. De elektronische weg stond niet open. Volgens vaste gedragslijn had het college appellanten moeten informeren over een andere wijze van verzenden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 2:15
Algemene wet bestuursrecht 4:17
Algemene wet bestuursrecht 6:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/29
ABkort 2016/436
JWWB 2017/31

Uitspraak

14/6828 WWB, 14/6829 WWB, 15/835 WWB

Datum uitspraak: 18 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 december 2014, 14/5327 en 14/5329 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] en [appellant] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Huizen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. N. Wohlgemuth Kitslaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2016. Namens appellanten, daartoe opgeroepen, is verschenen mr. Wohlgemuth Kitslaar. Het college heeft zich, eveneens opgeroepen, laten vertegenwoordigen door mr. M. Vlaanderen-Dorhout.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Namens appellanten heeft mr. Wohlgemuth Kitslaar op 27 mei 2014 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand ter aflossing van een schuld bij PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland (aanvraag 1). Eveneens op 27 mei 2014 hebben appellanten, bij afzonderlijke brief, een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand ter aflossing van de op dat moment openstaande betalingstermijnen in verband met een schuld bij Stichting Waternet (aanvraag 2). Bij brieven van 4 augustus 2014 en 5 september 2014 heeft het college appellanten medegedeeld dat de behandeling van hun aanvragen van 27 mei 2014 zal worden beëindigd nu appellanten deze aanvragen schriftelijk hebben ingetrokken.

1.2.

Bij faxbericht van 10 augustus 2014 hebben appellanten het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op de onder 1.1 genoemde aanvragen.

1.3.

Op 25 augustus 2014 en 26 augustus 2014 hebben appellanten beroep ingesteld in verband met het uitblijven van het nemen van een besluit op aanvragen 1 en 2 en in verband hiermee de rechtbank verzocht de hoogte van de door het college verschuldigde dwangsommen vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat appellanten niet aan de onder 1.1 genoemde intrekking van hun aanvragen kunnen worden gehouden. Het college zal alsnog op de aanvragen van appellanten moeten beslissen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appelanten het college niet op de juiste wijze in gebreke hebben gesteld. Het college heeft de elektronische weg als bedoeld in artikel 2:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet opengesteld voor het indienen van een ingebrekestelling. De door appellanten ingestelde beroepen zijn dan ook niet-ontvankelijk.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat sprake is geweest van een geldige ingebrekestelling en dat de rechtbank ten onrechte geen dwangsommen heeft toegekend.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij besluit van 13 januari 2015 de aanvragen van appellanten afgewezen op de grond dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Participatiewet het verlenen van bijstand voor schulden in beginsel in de weg staat.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Aangezien appellanten expliciet te kennen hebben gegeven dat het besluit van 13 januari 2015 niet behoeft te worden beoordeeld, zal de Raad dat besluit niet in zijn beoordeling betrekken.

5.2.

Ter beoordeling ligt in de eerste plaats voor de vraag of het faxbericht van 10 augustus 2014 is te beschouwen als een rechtsgeldige ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb.

5.3.

Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. In het derde lid is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

5.4.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

5.5.

Ingevolge artikel 2:15, eerste lid, van de Awb kan een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is.

5.6.

Allereerst wordt vastgesteld dat uit de memorie van toelichting bij de Wet elektronisch bestuurlijk verkeer blijkt dat het sturen van een faxbericht een elektronische wijze van verzenden is waarop artikel 2:15 van de Awb van toepassing is (TK 2001-2002, 28 483,

nr. 3, p.7).

5.7.

Voorts wordt vastgesteld dat het college de weg van elektronische berichtgeving niet voor ingebrekestellingen heeft opengesteld. Het college heeft ter zitting van de Raad echter toegelicht dat als een ingebrekestelling per faxbericht wordt ontvangen, het de bestendige gedragslijn van het college is dat de verzender van het faxbericht wordt geïnformeerd dat deze weg van verzending niet is opengesteld en de mogelijkheid wordt geboden dit verzuim te herstellen. Vaststaat dat ten aanzien van appellanten deze bestendige gedragslijn niet is gevolgd, zodat de hiervoor genoemde herstelmogelijkheid hen is onthouden. Dat het faxbericht van 10 augustus 2014, zoals het college verder heeft toegelicht, om onbekende redenen pas in de beroepsfase bij de juiste medewerker terecht is gekomen en het college derhalve appellanten niet eerder had kunnen informeren, komt voor risico van het college. Gelet hierop moet het er in dit geval voor worden gehouden dat het faxbericht van

10 augustus 2014 is te beschouwen als een rechtsgeldige ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

5.8.

Gelet op 5.7 en in aanmerking genomen dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb, heeft de rechtbank de beroepen tegen het niet tijdig nemen van besluiten op de aanvragen van 27 mei 2014 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen.

5.9.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvragen inhoudelijk beoordelen. Vaststaat dat het college heeft verzuimd om binnen de daartoe gestelde termijn op de aanvragen te beslissen. De beroepen tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op de aanvragen van 27 mei 2014 zijn dus gegrond. De Raad zal dit besluit vernietigen en voorts met toepassing van artikel 8:55c van de Awb de hoogte van de door het college ingevolge artikel 4:17, eerste en tweede lid, van de Awb verbeurde dwangsom vaststellen. Aangezien tussen de ingebrekestelling en de beslissing op de aanvragen meer dan 42 dagen zijn gelegen, heeft het college een maximale dwangsom verbeurd, te weten € 1.260,-. De Raad zal die dwangsom éénmaal toekennen. Hierbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellanten het college slechts éénmaal op 10 augustus 2014 in gebreke hebben gesteld met betrekking tot het uitblijven van een beslissing op hun (gesplitst ingediende) aanvraag om bijstand voor schulden van 27 mei 2014. Nu inmiddels op de aanvragen is beslist, kan een termijnstelling voor bekendmaking van een besluit op de aanvragen achterwege blijven.

6. Aanleiding bestaat voorts het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep en op € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.984,.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart de beroepen tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een

besluit op de aanvragen van 27 mei 2014 gegrond;

- vernietigt dat besluit;

- stelt de hoogte van de door het college aan appellanten verschuldigde dwangsom vast op

€ 1.260,-;

- veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 1.984,-;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en

C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2016.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.M.C. de Vries

HD