Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:443

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
09-02-2016
Zaaknummer
14/7022 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:8363, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft ten onrechte aan de toenmalige gemachtigde van werkgeefster, werkzaam bij een verzekeringsmaatschappij, bijzondere toestemming voor kennisname van medische gegevens als bedoeld in artikel 105 van de Wet WIA onthouden. Niet gebleken van enige deugdelijke grond om die toestemming te weigeren. Het Uwv heeft niet onderbouwd dat bij de (toenmalige) gemachtigde van betrokkene een verhoogd risico bestond van oneigenlijk gebruik van de gegevens voor andere doeleinden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:32
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 105
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/417
ABkort 2016/76
TRA 2016/51 met annotatie van M.J.A.C. Driessen
RSV 2016/58
USZ 2016/91
TvPP 2016, afl. 2, p. 37
SZR-Updates.nl 2016-0090
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/7022 WIA

Datum uitspraak: 3 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 december 2014 , 13/7083 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Betrokkene] te [vestigingsplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. E.L.H.M. van Riel een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen mr. K.D. van Someren. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Riel, vergezeld van mr. M.C. Boehmer, manager afdeling juridische zaken.

OVERWEGINGEN

1.1.

[Naam werkneemster] , voormalig werkneemster van betrokkene (werkneemster), is uitgevallen voor haar werk als productiemedewerker en ontvangt sinds 28 november 2007 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 8 augustus 2013 heeft het Uwv bepaald dat de WGA-uitkering van werkneemster ongewijzigd wordt voortgezet. Betrokkene heeft tegen dit besluit bij brief van 17 september 2013 bezwaar gemaakt. Daarbij heeft de toenmalig gemachtigde van betrokkene mr. G. van Zon zich als gemachtigde gesteld en heeft hij verzocht om inzage in de medische stukken ten einde de gronden van het bezwaar te kunnen aanvullen. Van Zon was werkzaam bij Achmea Schadeverzekeringen N.V., Divisie Schade en Inkomen, afdeling WIA Schademanagement, in de functie van senior adviseur sociale zekerheid. Werkneemster heeft het Uwv geen toestemming gegeven om betrokkene inzage te geven in haar medische gegevens. Bij brief van 9 oktober 2013 heeft het Uwv geweigerd Van Zon bijzondere toestemming te verlenen tot inzage in de medische gegevens van werkneemster als bedoeld in artikel 105 van de

wet WIA, zodat de medische stukken niet zijn toegezonden.

1.2.

Het Uwv heeft het bezwaar van betrokkene bij besluit van 2 december 2013

(bestreden besluit I) ongegrond verklaard.

2.1.

Hangende het beroep tegen bestreden besluit I heeft het Uwv op 6 maart 2014 een herziene beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit II) en heeft het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard.

2.2.

De rechtbank heeft het door betrokkene ingestelde beroep tegen bestreden besluiten I en II gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. De rechtbank heeft na te hebben vastgesteld dat werkneemster geen toestemming heeft verleend voor de kennisneming van de stukken die medische gegevens bevatten door betrokkene, bij beslissing van 28 januari 2014 en 18 september 2014, de toenmalige gemachtigde respectievelijk de huidige gemachtigde van betrokkene bijzondere toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat niet is gebleken van enige deugdelijke grond bij appellant om de toenmalige gemachtigde, die in zijn functie van senior adviseur sociale zekerheid werkzaam is als professioneel rechtshulpverlener in dienst van Achmea Schadeverzekeringen N.V., Divisie Schade en Inkomen, afdeling WIA Schademanagement geen bijzondere toestemming te verlenen als bedoeld in artikel 105 van de Wet WIA. Door het onthouden van de toestemming wordt die gemachtigde onnodig in de uitoefening van zijn taak belemmerd, aangezien hij in de benadering van appellant gehouden zou zijn om zich in procedures als de onderhavige steeds te laten bijstaan - of zelfs te laten vervangen - door een advocaat of een arts-gemachtigde. De stelling van appellant, onder verwijzing naar een uitzending van Zembla, dat bij verzekeraars een verhoogd risico aanwezig is dat de medische gegevens worden gebruikt voor eigen doelen van de verzekeraar, hetgeen volgens appellant noopt tot voorzichtigheid, doet hier niet aan af. De rechtbank heeft overwogen dat de Raad reeds bij uitspraak van 14 oktober 2003 (ECLI:NL:CRVB:2003:AN7978) over professionele rechtshulpverleners - niet zijnde een advocaat of arts-gemachtigde - heeft geoordeeld dat mede gelet op het feit dat artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht opzettelijk schending van een uit hoofde van onder andere een beroep dan wel een wettelijk voorschrift te bewaren geheim met straf wordt bedreigd, er geen aanleiding is om de toepassing van artikel 8:32, tweede lid van de Awb te beperken tot personen die aan tuchtrecht zijn onderworpen. De rechtbank ziet niet in op grond waarvan deze overweging over artikel 8:32, tweede lid, van de Awb niet analoog kan worden toegepast voor de toetsing of op goede gronden de toestemming als bedoeld in artikel 105 van de Wet WIA is geweigerd.

2.3.

De rechtbank heeft bestreden besluit II vernietigd, omdat het inleidende bezwaarschrift van 17 oktober 2013 procedurele beroepsgronden bevat, zodat bij bestreden besluit II ten onrechte het bezwaar van betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard. Aangezien het Uwv ten onrechte toestemming als bedoeld in artikel 105 van de Wet WIA aan de toenmalige gemachtigde van betrokkene heeft geweigerd heeft de rechtbank ook bestreden besluit I vernietigd.

3. Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak, voor zover het beroep tegen bestreden besluit I gegrond is verklaard, dit besluit is vernietigd en voor zover is opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Appellant kan zich verenigen met de vernietiging van bestreden besluit II en heeft bij haar aanvullend hoger beroepschrift dit besluit ingetrokken. Appellant is van mening dat op goede gronden bijzondere toestemming op grond van artikel 105 van de Wet WIA is onthouden aan medewerkers van Achmea, in hun hoedanigheid als gemachtigde van betrokkene. Appellant voert aan dat geen bijzondere toestemming wordt verleend aan professionele rechtshulpverleners in dienst van verzekeraars (anders dan rechtsbijstandsverzekeraars) op de grond dat bij (medewerkers van) verzekeraars twee rollen binnen een onderneming worden verenigd: die van gemachtigde van werkgevers en die van verzekeraar van medisch gerelateerde risico’s van werknemers. Dit brengt volgens appellant een verhoogd risico met zich mee dat gebruik van de gegevens voor andere doeleinden zou kunnen plaatsvinden. Daarmee wil appellant niet zeggen dat Achmea in het verleden feitelijk medische gegevens die zij verkreeg als gemachtigde van werkgevers heeft misbruikt voor verzekeringsdoeleinden. Wél dat er ten opzichte van gemachtigden die geen verzekeraar zijn, een verhoogd risico is dat gebruik voor andere doeleinden zou kunnen gaan plaatsvinden. Voorts voert appellant aan dat de verzekeraar geen partij is bij het onderhavige geschil, zodat niet de vraag voor ligt of de verzekeraar onevenredig zwaar wordt getroffen, maar of betrokkene dat wordt. Nu er voor de werkgever voldoende alternatieve mogelijkheden zijn om zich met betrekking tot kennisname van de medische gegevens te laten vertegenwoordigen wordt de werkgever niet onevenredig zwaar getroffen.

4. Betrokkene heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak. Betrokkene heeft aangegeven dat appellant geen concrete feitelijke onderbouwing heeft gegeven voor het onthouden van de bijzondere toestemming aan de gemachtigde van betrokkene. Voorts heeft betrokkene aangevoerd dat de opstelling van appellant heeft geleid tot onnodige vertraging in de procedure als gevolg waarvan betrokkene is benadeeld. Op grond hiervan vordert betrokkene vergoeding van de geleden schade zoals bedoeld in artikel 8:88 en verder van de Awb.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1

De vraag die voorligt is of appellant terecht aan de toenmalige gemachtigde van betrokkene bijzondere toestemming voor kennisname van medische gegevens als bedoeld in artikel 105 van de Wet WIA heeft onthouden. De Raad volgt het oordeel en de overwegingen daartoe van de rechtbank dat niet is gebleken van enige deugdelijke grond om toestemming aan de (toenmalige) gemachtigde van betrokkene te weigeren. In aanvulling daarop wordt overwogen dat het door appellant gestelde verhoogde risico op het gebruik van de medische gegevens voor een ander doel dan waarvoor ze zijn verstrekt, het gestelde misbruik van gegevens voor verzekeringsdoeleinden, niet geconcretiseerd noch feitelijk onderbouwd is. Appellant heeft immers nagelaten onderzoek te verrichten naar de wijze waarop de waarborgen binnen de organisatie van de gemachtigde waren vormgegeven, zodat niet is aangetoond dat er een verhoogd risico bestond op strijdig handelen met het beginsel van doelbinding van de betreffende medische gegevens. Appellant heeft dan ook niet onderbouwd dat bij de (toenmalige) gemachtigde van betrokkene een verhoogd risico bestond van oneigenlijk gebruik van de gegevens voor andere doeleinden.

5.2.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover deze is aangevochten.

5.3.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door appellant te nemen nieuwe besluit op bezwaar van betrokkene slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.

6. Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 992,- voor verleende rechtsbijstand.

7. Voor toewijzing van de door betrokkene verzochte schadevergoeding bestaat nu geen aanleiding nu nog niet vaststaat dat betrokkene voor vergoeding in aanmerking komende schade heeft geleden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 992,-;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- bepaalt dat van het Uwv een griffierecht van € 493,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en E. Dijt en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2016.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) W. de Braal

GdJ