Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4427

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
28-11-2016
Zaaknummer
14/6401 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boete. Intrekking bijstand na opschorting. Intrekking op grond van schending inlichtingenverplichting. Procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/6401 WWB

Datum uitspraak: 18 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 oktober 2014, 14/4249 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.D. Haytink, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 13 juni 2013. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving tot 4 september 2012 samen met [naam R.] (R) bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Hij woonde tot die datum samen met R en hun drie kinderen op het adres [aders A.] te Den Haag (adres [aders A.] ). Met ingang vanaf 4 september 2012 ontving appellant bijstand naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10% van het wettelijk minimumloon. Vanaf die datum stond hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] 139 te Den Haag (uitkeringsadres). R is met de drie kinderen blijven wonen op het adres [aders A.] en ontving met ingang van 4 september 2012 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Vanaf 22 januari 2014 staat appellant weer ingeschreven op het adres [aders A.] en ontvangt hij samen met R bijstand naar de norm voor gehuwden.

1.2.1.

Vanaf mei 2013 is appellant werkzaamheden gaan verrichten via Intro Uitzendbureau (Intro). Een medewerker van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente Den Haag (Dienst) heeft in een rapportage van 9 september 2013 vermeld dat appellant salarisspecificaties van Intro van week 31 tot en met 33 heeft ingeleverd en dat hij nog specificaties over de periode van 13 mei 2013 tot en met 28 juli 2013 moet inleveren. Bij brief van diezelfde datum heeft die medewerker appellant verzocht om vóór 20 september 2013 alle salarisspecificaties van Intro over de hiervoor genoemde periode in te leveren. Omdat appellant niet aan dit verzoek had voldaan, heeft de Dienst Intro bij brief van 27 september 2013 verzocht een overzicht toe te zenden van de inkomsten van appellant van

1 mei 2013 tot heden. Bij brief van 1 oktober 2013 heeft Intro de gevraagde informatie verstrekt. Deze informatie, voor zover van belang, houdt in dat appellant bij Intro werkzaam is vanaf 20 mei 2013 gedurende een variabel aantal uren per week en dat appellant werkzaam is geweest in week 23 van 2013 - van 3 tot en met 9 juni 2013 - en in die week € 326,34 heeft verdiend.

1.2.2.

Op basis van deze inkomstengegevens heeft het college bij besluit van 2 december 2013 (besluit 1) de bijstand van appellant herzien over de periode van 1 tot en met 30 juni 2013 en de over die periode teveel betaalde bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van

€ 317,06. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen inlichtingen te verstrekken over zijn inkomsten uit arbeid over de periode van 3 tot en met 9 juni 2013.

1.2.3.

Bij afzonderlijk besluit van 2 december 2013 (besluit 2) heeft het college aan appellant een boete opgelegd van € 320,- wegens schending van de inlichtingenverplichting door zijn inkomsten niet door te geven.

1.3.1.

Naar aanleiding van een melding van het Werkplein hebben medewerkers van de Afdeling Bijzonder onderzoek van de Dienst (ABO) een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellant. In dat kader heeft de ABO dossieronderzoek verricht, in de periode van 15 juli 2013 tot en met 11 oktober 2013 driemaal, zonder succes, getracht een onaangekondigd huisbezoek af te leggen aan het uitkeringsadres, appellant opgeroepen voor een gesprek op 15 oktober 2013, waar hij niet is verschenen, en op 16 oktober 2013 opnieuw getracht een onaangekondigd huisbezoek af te leggen aan het uitkeringsadres. In een rapportage van 1 november 2013 is vermeld dat bij dat huisbezoek de deur werd geopend door [naam P.] (P) en dat P verklaarde dat hij op de tweede etage woont, dat op de eerste etage ene ‘ [Naam 1] ’ woont en dat de geadresseerden van de poststukken die op de trap lagen, waaronder appellant, niet op het uitkeringsadres wonen. Verder is in de rapportage vermeld dat op 16 oktober 2013 de auto van appellant aan het eind van de [uitkeringsadres] stond, op

650 meter van het uitkeringsadres en op 400 meter van het adres [aders A.] . In de periode van 28 oktober 2013 tot en met 26 november 2013 heeft de ABO waarnemingen verricht in de omgeving van uitkeringsadres. Tijdens die waarnemingen is de auto van appellant op dezelfde plaats op de [uitkeringsadres] aangetroffen als op 16 oktober 2013. Op 26 november 2013 heeft de ABO een gesprek met appellant gevoerd op het kantoor van de Dienst en aansluitend een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres. In de rapportage huisbezoek van 29 november 2013 is onder meer opgenomen dat appellant, desgevraagd, niet wist wat de inhoud was van de vier lades van het ladekastje en van de keukenkastjes, dat in één van de lades van het ladekastje een mapje lag met een visum en een bankpas op naam van [naam S.] (S), dat appellant niet wist waar zijn scheermes lag en dat appellant verklaarde dat zijn onderkleding en sokken bij zijn ex-vrouw lagen en zijn wasgoed bij de wasserette, maar het bonnetje van de wasserette niet kon tonen en ook de naam van de wasserette niet wist. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in rapportages van 1, 26 en 29 november 2013 en van 2 december 2013.

1.3.2.

Bij besluit van 2 december 2013 (besluit 3) heeft het college, onder verwijzing naar zijn besluit van 1 november 2013, waarbij het recht op bijstand van appellant vanaf die datum was opgeschort, de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 1 november 2013 ingetrokken.

1.3.3.

In de resultaten van het in 1.3.1 beschreven onderzoek heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 11 december 2013 (besluit 4) de bijstand van appellant te herzien (lees: in te trekken) over de periode van 16 tot en met 31 oktober 2013 en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen tot een bedrag van € 155,95. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellant vanaf 16 oktober 2013 niet woont op het uitkeringsadres. Door hiervan geen melding te maken aan het college heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van - eveneens -11 december 2013 (besluit 5) heeft het college, onder verwijzing naar een besluit van 29 oktober 2013 de verrekening van inkomsten van appellant met zijn bijstand omgezet in een terugvordering tot een bedrag van € 150,65.

1.5.

Bij besluit van 14 april 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten 1 tot en met 5 ongegrond verklaard. Hierbij heeft het college de juridische grondslag van besluit 3 gewijzigd in artikel 54, derde lid, van de WWB en tot uitdrukking gebracht dat dit besluit op dezelfde grond berust als besluit 4, te weten dat appellant niet woonachtig is op het uitkeringsadres, dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden door daarvan geen melding te maken en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.6.

De ABO heeft voorts een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van R. In de bevindingen van dit onderzoek heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 4 april 2014 de bijstand van R over de periode van 4 september 2012 tot en met 31 januari 2014 te herzien (lees: in te trekken) en de gemaakte kosten van bijstand over die periode van R terug te vorderen. Bij besluit van eveneens 4 april 2014 heeft het college de gemaakte kosten van de aan R verleende bijstand mede van appellant teruggevorderd, de bijstand van appellant ingetrokken over de periode van 4 september 2012 tot en met 15 oktober 2013 en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd. Aan deze besluiten ligt ten grondslag dat R en appellant, zonder daarvan melding te maken aan het college, vanaf 4 september 2012 een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd. Deze besluiten zijn in rechte onaantastbaar geworden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor zover dit besluit betrekking heeft op besluit 5, het bestreden besluit in zoverre vernietigd, besluit 5 herroepen en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover het de boete (besluit 2) betreft en de intrekking van de bijstand met ingang van 16 oktober 2013 (besluiten 3 en 4).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Boete (besluit 2) - inkomsten uit arbeid

4.1.

Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12.

4.2.

Appellant heeft, evenals in beroep, aangevoerd dat hij zijn inkomsten wel heeft doorgegeven aan een bijstandsconsulent, dat hij zijn inlichtingenverplichting dus niet heeft geschonden en dat daarom geen reden bestond hem een boete op te leggen.

4.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor de stelling van appellant dat hij zijn consulent in kennis heeft gesteld van zijn inkomsten over de periode van 3 tot en met 9 juni 2013. Aangezien appellant ook in hoger beroep geen bewijs heeft geleverd voor die stelling, moet worden aangenomen dat hij geen inkomstengegevens over die periode heeft verstrekt en dat het college via Intro de beschikking daarover heeft gekregen. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat appellant de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen inkomstengegevens te verstrekken over genoemde periode. Aan appellant valt hiervan ook subjectief een verwijt te maken, zodat het college in beginsel gehouden was met toepassing van artikel 18a van de WWB een boete op te leggen.

4.4.

In dit geval is sprake van “gewone” verwijtbaarheid, zodat een boete van in beginsel 50% van het benadelingsbedrag is aangewezen. Het college heeft bij brief van 16 maart 2016 kenbaar gemaakt zich hiertegen niet te verzetten. De boete moet dan worden vastgesteld op 50% van € 317,06, dus € 158,53. Naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,- resulteert dit in een bedrag van € 160,-. De in dit geding aan de Raad gebleken verwijtbaarheid van appellant, de omstandigheden waaronder hij de overtreding heeft begaan en zijn persoonlijke omstandigheden geven geen aanleiding om van een lager bedrag dan € 160,- uit te gaan. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Intrekking (besluiten 3 en 4) - hoofdverblijf uitkeringsadres

4.5.

De hier te beoordelen periode loopt van 4 september 2012 tot en met 2 december 2013, de datum van besluit 3.

4.6.

Het college heeft in zijn verweerschrift betoogd dat appellant geen procesbelang heeft bij de beoordeling van de intrekking van de bijstand met ingang van 16 oktober 2013, omdat de besluiten 3 en 4 als het ware zijn ‘ingehaald’ door de in 1.6 genoemde besluiten van 4 april 2014. Hierbij acht het college van belang dat bij de (mede)terugvordering van de kosten van bijstand vanaf 4 september 2012 er vanuit is gegaan dat appellant en R vanaf 4 september 2012 recht hadden op bijstand naar de norm voor gehuwden, ook voor de periode op en na

16 oktober 2013.

4.7.

Dit betoog slaagt niet. Het ten aanzien van appellant genomen besluit van 4 april 2014 overlapt, wat de intrekking betreft, niet de periode waarop de besluiten 3 en 4 zien. Dat besluit van 4 april 2014 bestrijkt immers de periode tot en met 15 oktober 2013 en de besluiten 3 en 4 bestrijken de periode vanaf 16 oktober 2013. Het enkele feit dat de periode waarop het ten aanzien van R genomen besluit van 4 april 2014 ziet, de hier te beoordelen periode overlapt, brengt niet met zich dat appellant geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van zijn hoger beroep voor zover dat ziet op de besluiten 3 en 4. Dat besluit richt zich immers wat de intrekking betreft tot R en niet tot appellant. Dat het ten aanzien van appellant genomen besluit van 4 april 2014 tevens de medeterugvordering van de kosten van de aan R over de periode van 4 september 2012 tot en met 31 januari 2014 verleende bijstand omvat en bij de berekening van het medeterugvorderingsbedrag de fictie is gehanteerd dat appellant en R over die periode recht op bijstand hadden naar de norm voor gehuwden, betekent niet dat voor appellant het procesbelang aan zijn hoger beroep is komen te ontvallen.

4.8.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.9.

Appellant heeft een groot aantal gronden aangevoerd die erop neerkomen dat niet wordt voldaan aan het voeren van een gezamenlijke huishouding op het adres [aders A.] . Deze gronden behoeven echter geen bespreking, aangezien aan het bestreden besluit, voor zover het betreft de intrekking met ingang van 16 oktober 2013, niet ten grondslag is gelegd dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met R, maar dat hij niet woont op het uitkeringsadres.

4.10.

Appellant heeft voorts, onder verwijzing naar schriftelijke verklaringen van P en

S.M.A. [Naam 1] ingebrachte schriftelijke verklaringen, aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen geen toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat hij niet woonde op het uitkeringsadres.

4.11.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bevindingen van het onderzoek, zoals weergegeven in 1.3.1, in onderlinge samenhang bezien, de conclusie rechtvaardigen dat appellant in de te beoordelen periode niet woonachtig was op het uitkeringsadres. Evenals de rechtbank acht de Raad hiertoe onder meer van belang de verklaring die P op 16 oktober 2013 heeft afgelegd en de bevindingen tijdens het huisbezoek op 26 november 2013, waarvan in het bijzonder de aanwezigheid van een visum en een bankpas op naam van S, de omstandigheid dat appellant tijdens het huisbezoek op

26 november 2013 niet kon vertellen wat de inhoud was van een ladekastje en van de keukenkastjes en de omstandigheid dat tijdens dat huisbezoek nauwelijks kleding van appellant is aangetroffen.

4.12.

De door appellant overgelegde verklaring van P van 13 mei 2014 luidt als volgt: “I agree that is appellant. He live here in uitkeringsadres in the period from september 2012 to february 2014.” De door appellant overgelegde - ongedateerde verklaring van S.M.A. [Naam 1] luidt als volgt: “Hierbij ik verklaar dat ik regelmatig bezocht mijn vriend appellant bij zijn wonen op uitkeringsadres. Dat was in het hele jaar 2013.” In het licht van de onderzoeksbevindingen van de ABO zijn deze verklaringen van onvoldoende gewicht om daaraan de conclusie te verbinden dat appellant in de te beoordelen periode woonachtig was op het uitkeringsadres. Bovendien is niet duidelijk waarom P een verklaring aflegt die haaks staat op zijn verklaring van 16 oktober 2013.

4.13.

Uit 4.9, 4.11 en 4.12 vloeit voort dat het hoger beroep, voor zover dat ziet op de besluiten 3 en 4, niet slaagt.

Slotoverweging

4.14.

Uit 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover het de boete betreft, moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep ook gegrond verklaren voor zover het de boete betreft en het bestreden besluit vernietigen voor zover daarbij de hoogte van de boete is gehandhaafd op € 320,-. Met toepassing van artikel 8:72a van de Awb zal aan appellant een boete worden opgelegd van € 160,-, aangezien een dergelijke boete evenredig, passend en geboden is. Uit 4.13 volgt dat de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 496,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het de boete betreft;

- vernietigt het besluit van 15 april 2014 zover daarbij de hoogte van de boete is gehandhaafd

op € 320,-;

- stelt het bedrag van de boete vast op € 160,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de

plaats treedt van het thans vernietigde gedeelte van het besluit van 15 april 2014;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige voor zover aangevochten;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 496,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 122,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en

C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2016.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.M.C. de Vries

HD