Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4422

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2016
Datum publicatie
28-11-2016
Zaaknummer
15/1418 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:110, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Geen woonplaats binnen de gemeente. Onvoldoende feitelijke grondslag voor gedeelte van periode in geding. Opdracht tot nieuw besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1418 WWB

Datum uitspraak: 15 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 januari 2015, 14/3150 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats 1] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Matadien, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft, desgevraagd, nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Matadien. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.J.M. Codrington.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 14 juni 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Hij staat vanaf 23 juni 2011 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans: basisregistratie personen, ingeschreven op het [adres 1] te [woonplaats 2] (uitkeringsadres), op welk adres hij een kamer huurt. Appellant heeft samen met [naam 1] (K) drie kinderen, geboren in 2007, 2010 en 2011. K ontving bijstand van het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college van Zoetermeer), laatstelijk, sinds 26 december 2007, naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%, en staat vanaf 8 november 2010 in de GBA ingeschreven op het [adres 2] te [woonplaats 3] (adres van K).

1.2.1.

Naar aanleiding van een melding van de klantmanager van K, die onder meer inhield dat appellant en K te kennen hadden gegeven dat zij een LAT-relatie hebben, maar dat appellant nogal vaag was over zijn woon- en verblijfplaats, heeft de sociale recherche van de gemeente Zoetermeer (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan K verleende bijstand.

1.2.2.

In het kader van dit onderzoek heeft de sociale recherche in de periode van 18 juni 2013 tot en met 4 juli 2013 acht waarnemingen verricht bij het adres van K. Tijdens al deze waarnemingen - één keer ’s middags, één keer ’s avonds en zes keer ’s morgens - is de auto van appellant op een parkeerplaats in de nabijheid van dat adres aangetroffen. Op 4 juli 2013 heeft de sociale recherche gelijktijdig onaangekondigde huisbezoeken afgelegd aan het adres van K en aan het uitkeringsadres. Tijdens het huisbezoek aan het adres van K zijn onder meer de volgende zaken van appellant aangetroffen: administratieve bescheiden, zijn paspoort, kledingstukken en een op recept verkregen tube crème op zijn naam. Tijdens dit huisbezoek heeft K verklaard dat appellant drie dagen per week in [woonplaats 3] verblijft, te weten op maandag, dinsdag en woensdag, dat appellant in [woonplaats 2] woont en op dinsdag en woensdag de kinderen naar school brengt en dat zij dat de rest van de week zelf doet. Tijdens het huisbezoek aan het uitkeringsadres zijn de volgende zaken aangetroffen: een tweepersoonsmatras voorzien van een matrashoes en een dekbed, twee koffers met kleding, stapels papieren en administratie op de koffers en een tafelmodel koelkast. In het verslag van het huisbezoek is voorts vermeld dat appellant goed moest zoeken naar ondergoed, dat hij uiteindelijk één onderbroek vond en verklaarde dat de overige onderbroeken bij een vriend lagen die ze voor hem zou wassen, dat appellant geen sokken kon tonen, dat er een gezamenlijke ruimte was, te weten een gang en een keuken en dat in de gang een gangkast was waar wat kledingstukken van appellant in hingen. Op 5 juli 2013 heeft de sociale recherche appellant gehoord. Tijdens dit gehoor heeft appellant aanvankelijk verklaard dat hij vanaf 18 juni 2013 meestal zeven dagen per week op het uitkeringsadres verblijft en soms vijf of zes dagen en dat hij daar altijd slaapt. Vervolgens heeft appellant verklaard dat hij vanaf die datum soms twee keer en soms drie keer per week in [woonplaats 3] slaapt en dat hij denkt daar de afgelopen week vier keer te hebben geslapen.

1.2.3.

Voorts heeft de sociale recherche op 19 augustus 2013 [naam 2] (V), de bewoner van het [adres 4] te [woonplaats 3] , als getuige gehoord. V heeft onder meer het volgende verklaard. Zij heeft gezien dat op het adres van K een man, een vrouw en drie kinderen wonen. Zij herkent de man en de vrouw van de getoonde foto’s. V woont al vanaf januari 2009 op [nummer] , toen woonden die mensen er nog niet. Later zijn de man en de vrouw er komen wonen. V weet niet of zij een auto hebben. V heeft de man twee of drie keer op de fiets gezien.

1.2.4.

Vervolgens heeft de sociale recherche in de periode van 1 tot en met 21 november 2013 29 waarnemingen verricht bij het adres van K. Tijdens al deze waarnemingen - ’s avonds en

’s morgens vroeg op nagenoeg alle dagen in genoemde periode - is de auto van appellant op een parkeerplaats in de nabijheid van dat adres aangetroffen. Verder heeft de sociale recherche onder meer op 20 november 2013 een gesprek met K gevoerd. Bij die gelegenheid heeft K verklaard dat appellant bij haar verblijft van maandagavond 24.00 uur tot donderdagochtend en, geconfronteerd met de waarnemingen in november 2013, vervolgens onder meer verklaard dat appellant ook wel eens op andere dagen komt en dat hij haar helpt met dingen en er dus vaker is.

1.2.5.

De bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche zijn neergelegd in een rapport van 4 december 2013.

1.3.

In de resultaten van het onderzoek heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 20 december 2013 (besluit 1) de bijstand van appellant met ingang van 18 juni 2013 in te trekken en de over de periode van 18 juni 2013 tot en met 30 november 2013 gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen tot een bedrag van € 4.755,52. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellant, zonder daarvan melding te maken aan het college, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met K op het adres van K. Bij besluit van 1 januari 2014 (besluit 2) heeft het college het terug te vorderen bedrag gebruteerd en vastgesteld op € 6.151,98.

1.4.

Bij besluit van 27 maart 2014 (bestreden besluit) heeft het college, onder wijziging van de grondslag, de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Het college heeft, wat besluit 1 betreft, aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant vanaf

18 juni 2013 geen woonplaats meer had in [woonplaats 2] . Hierbij wijst het college erop dat de onderzoeksbevindingen voldoende grondslag bieden voor de conclusie dat het adres van K het middelpunt was van het maatschappelijk leven van appellant. De auto van appellant werd steevast in de omgeving van het adres van K aangetroffen. Appellant bracht de door hem erkende kinderen naar school. Persoonlijke gegevens van appellant, zoals zijn paspoort, werden op het adres van K aangetroffen, terwijl amper persoonlijke spullen van appellant op het uitkeringsadres werden aangetroffen. Appellant heeft tijdens het gesprek op 5 juli 2013 tegenstrijdige verklaringen afgelegd over zijn verblijf op dat adres. In het kader van een aangevraagde voorlopige voorziening heeft appellant verklaard dat hij van maandag tot en met donderdagochtend bij K te [woonplaats 3] verblijft. De waarnemingen en het huisbezoek te [woonplaats 3] bevestigen dat appellant feitelijk in die gemeente woont.

1.5.

Op een daartoe strekkende aanvraag heeft het college bij besluit van 21 maart 2014 aan appellant met ingang van 8 januari 2014 opnieuw bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, kort weergegeven, het volgende aangevoerd. Het college heeft met de onderzoeksbevindingen niet aannemelijk gemaakt dat appellant niet zijn hoofdverblijf had in Rotterdam. Uit het feit dat het college appellant met ingang van 8 januari 2014 bijstand heeft verleend, blijkt dat geen sprake was van een verplaatsing van het hoofdverblijf van appellant. Hij heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting niet geschonden, terwijl bovendien van opzet geen sprake is geweest. Er zijn dringende redenen om van terugvordering af te zien, aangezien appellant een aanzienlijke schuldenlast heeft, waardoor zijn draagkracht beperkt is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 18 juni 2013, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 20 december 2013, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

4.4.

In artikel 1:11, eerste lid, van het BW is bepaald dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Dit sluit niet uit dat een woonstede ook op grond van andere feiten en omstandigheden verloren kan gaan. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient dan ook beantwoord te worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.5.

De onderzoeksbevindingen van de sociale recherche bieden op zichzelf, noch in onderlinge samenhang bezien, een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in de periode van 18 juni 2013 tot en met 31 oktober 2013 zijn woonplaats niet in [woonplaats 2] had.

4.5.1.

Het enkele feit dat de auto van appellant in de periode van 18 juni 2013 tot en met 4 juli 2013 acht keer is aangetroffen op een parkeerplaats in de directe omgeving van het adres

van K, zonder dat duidelijk is hoe lang de auto er op die momenten stond, wijst niet uit dat appellant geen woonplaats meer had in [woonplaats 2] .

4.5.2.

Voorts zijn tijdens het huisbezoek aan het adres van K op 4 juli 2013 weliswaar de nodige persoonlijke spullen en kledingstukken van appellant aangetroffen, maar op basis van de summiere bevindingen van het huisbezoek aan het uitkeringsadres kan niet worden geconcludeerd dat appellant op dat moment niet woonachtig was op dat adres. Hierbij moet worden aangetekend dat niet duidelijk is of de koffers met kleding zijn geopend en dat de sociaal rechercheurs niet in de gangkast en/of in de gezamenlijke keuken hebben gekeken en niet hebben doorgevraagd over de aangetroffen en ontbrekende kleding in zijn kamer.

4.5.3.

Afgezien van het horen van V op 19 augustus 2013 heeft de sociale recherche in de periode van 6 juli 2013 tot en met 31 oktober 2013 geen onderzoekshandelingen verricht ter beoordeling van de woon- en leefsituatie van appellant. Uit de verklaring van V blijkt niet of wat V verklaart over de bewoning van de woning op het adres van K berust op concrete, feitelijke waarnemingen of slechts de indruk van V is. De verklaring bevat geen feitelijke gegevens over het dagelijks leven in en om deze woning en is dan ook in zoverre onvoldoende specifiek en gedetailleerd. Gelet hierop komt aan de verklaring van V niet die betekenis toe die de rechtbank daaraan heeft toegekend.

4.6.

De rechtbank heeft wat in 4.5 is overwogen niet onderkend.

4.7.

De onderzoeksbevindingen van de sociale recherche bieden wel een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in de periode van 1 november 2013 tot en met

20 december 2013 zijn woonplaats niet had in [woonplaats 2] .

4.7.1.

Uit de waarnemingen in de periode van 1 tot en met 21 november 2013 blijkt dat de auto van appellant dag en nacht op een parkeerplaats in de directe nabijheid van het adres van K stond. In aanmerking genomen dat appellant tijdens het gesprek op 5 juli 2013 heeft verklaard dat hij als enige in zijn auto rijdt, kan als vaststaand worden aangenomen dat appellant in de in 4.7 genoemde periode het grootste deel van de week op dat adres verbleef. Appellant heeft wel gesteld dat zijn auto regelmatig weigerde te starten en om die reden vaak in de nabijheid van de woning van K bleef staan, maar heeft hiervoor geen enkel bewijs aangedragen. Bovendien heeft K, geconfronteerd met de veelvuldige aanwezigheid van de auto van appellant bij haar adres, niet verklaard dat de oorzaak daarvan was gelegen in startproblemen van die auto. Ten slotte blijkt uit de waarnemingen in de betreffende periode dat de auto van appellant op verschillende plaatsen op de parkeerplaats stond, waaruit geconcludeerd kan worden dat in de periode met de auto is gereden.

4.7.2.

Dat appellant vanaf 1 november 2013 het grootste deel van de week bij K verbleef, valt ook af te leiden uit de verklaring die K op 20 november 2013 heeft afgelegd. Verder heeft appellant in het hoger beroepschrift, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag in de procedure van K en appellant ten aanzien van de intrekking en (mede)terugvordering van de bijstand van K, kenbaar gemaakt dat en waarom hij in de periode van 1 tot en met 21 november 2013 frequenter in [woonplaats 3] was.

4.8.

Aan de bijstandsverlening per 8 januari 2014 komt niet de betekenis toe die appellant daaraan gehecht wenst te zien, reeds omdat deze bijstandsverlening ziet op een andere periode dan de hier te beoordelen periode.

4.9.

Vaststaat dat appellant niet aan het college heeft gemeld dat hij vanaf 1 november 2013 geen woonplaats meer had in Rotterdam. Appellant heeft aangevoerd dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting desalniettemin toch niet heeft geschonden, omdat, gezien het feitelijk door hem uitgeoefende en vormgegeven gezinsleven in Zoetermeer, het niet duidelijk was dat sprake was van feiten en omstandigheden die van invloed konden zijn op zijn recht op bijstand. Wat hier verder ook van zij, het feit dat appellant vanaf 1 november 2013 geen woonplaats meer had in [woonplaats 2] is onmiskenbaar een feit als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB. Door daarvan geen melding te maken aan het college heeft appellant de ingevolge die bepaling op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Deze verplichting is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij opzet geen rol speelt. Uitsluitend moet worden beoordeeld of appellant de verplaatsing van zijn woonplaats had moeten melden en dit heeft nagelaten. Dit laatste is, zoals hiervoor is vastgesteld, het geval.

4.10.

Uit 4.6 tot en met 4.9 volgt dat het college op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2013 in te trekken.

4.11.

Wat is overwogen in 4.5 tot en met 4.10 leidt tot de volgende slotsom. Het college was niet bevoegd de bijstand van appellant over de periode van 18 juni 2013 tot en met 31 oktober 2013 in te trekken. Daarmee is tevens de grondslag aan de terugvordering over deze periode komen te ontvallen. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de wet voor zover het betreft de intrekking over de periode van 18 juni 2013 tot en met 31 oktober 2013. Omdat het besluit tot terugvordering als ondeelbaar moet worden beschouwd, zal de Raad het bestreden besluit ook vernietigen voor zover het de terugvordering en de brutering betreft. Tevens ziet de Raad aanleiding het besluit van 20 december 2013 te herroepen voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 18 juni 2013 tot en met 31 oktober 2013, aangezien aan dit besluit in zoverre hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit en dit gebrek niet kan worden hersteld.

4.12.

Vervolgens moet worden bezien welk vervolg hieraan moet worden gegeven. In dat verband wordt het volgende overwogen.

4.12.1.

Gelet op 4.11 was het college niet bevoegd de over de periode van 18 juni 2013 tot en met 31 oktober 2013 gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. Gelet

op 4.9 was het college op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB gehouden de kosten van te veel ontvangen bijstand van appellant over november 2013 terug te vorderen.

4.12.2.

Op grond van artikel 58, achtste lid, van de WWB kan het college op grond van dringende redenen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dringende redenen kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken (zie de uitspraak van

15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:952). In de door appellant gestelde financiële omstandigheden liggen geen dringende redenen in de zin van artikel 58, achtste lid, van de WWB besloten op grond waarvan het college had moeten afzien van gehele of gedeeltelijke terugvordering. De financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft de betrokkene als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.12.3.

Tegen de brutering heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat dit onderdeel van de besluitvorming niet behoeft te worden besproken.

4.12.4.

Het college zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen en te bruteren bedrag moeten maken over november 2013. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om in zoverre zelf in de zaak te voorzien. Nu het daarbij nog slechts gaat om een financiële uitwerking, ziet de Raad geen aanleiding voor toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus en zal hij het college op dit punt een opdracht geven om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 992,- in bezwaar, € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal 2.976,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 27 maart 2014 voor zover het

betreft de intrekking over de periode van 18 juni 2013 tot en met 31 oktober 2013, de

terugvordering en de brutering;

- herroept het besluit van 20 december 2013 voor zover het betreft de intrekking van de

bijstand over de periode van 18 juni 2013 tot en met 31 oktober 2013 en bepaalt dat deze

uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van

27 maart 2014;

- draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het

bezwaar te nemen over de terugvordering en de brutering;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.976,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en W.F. Claessens en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2016.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) M.S. Spek

HD