Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4389

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2016
Datum publicatie
21-11-2016
Zaaknummer
13/3379 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2017:497. De gerectificeerde tekst is opgenomen in ECLI:NL:CRVB:2016:5152, onderstaande tekst is niet meer geldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3379 AKW

Datum uitspraak: 4 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

16 mei 2013, 13/417 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

de Staat der Nederlanden, Ministerie van Veiligheid en Justitie (Staat)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door M. Koning. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. O.F.M. Vonk.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de Svb en de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Op 26 oktober 2010 heeft appellant kinderbijslag aangevraagd. Bij besluit van
4 april 2012 heeft de Svb vastgesteld dat appellant met ingang van het vierde kwartaal 2009 geen recht heeft op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Bij een brief van 4 april 2012 heeft de Svb appellant meegedeeld dat hij van plan is een boete op te leggen en de te veel betaalde kinderbijslag terug te vorderen.

1.2.

Bij besluit van 21 december 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 april 2012 ongegrond verklaard. Het bezwaar van appellant tegen de aankondiging van de boete en de terugvordering in de brief van 4 april 2012, is

niet-ontvankelijk verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant niet als verzekerde voor de AKW kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant op de peildatum – 1 oktober 2009 – geen ingezetene van Nederland, omdat geen sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland.

3.1.

Bij besluit van 30 januari 2014 heeft de Svb het bestreden besluit ingetrokken en vastgesteld dat appellant alsnog recht heeft op kinderbijslag met ingang van het 4e kwartaal van 2009. Daarbij is vastgesteld dat aan appellant wettelijke rente wordt vergoed over de na te betalen kinderbijslag.

3.2.

Appellant heeft verzocht de Svb te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,-. De schade bestaat eruit dat appellant ongemakken, zorgen en tijdverlies heeft gehad in verband met het voeren van de procedure. Voorts heeft appellant gesteld dat hij nog steeds een belang heeft bij een uitspraak van de Raad op zijn hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, aangezien daarin is geoordeeld dat hij op de peildatum geen ingezetene is.

3.3.

De Svb heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant niet langer een procesbelang heeft bij deze procedure.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In hoger beroep is – evenals in beroep – niet in geschil of het bezwaar van appellant tegen de aankondiging van de boete en de terugvordering in de brief van 4 april 2012, terecht

niet-ontvankelijk is verklaard.

4.2.

Het besluit van 30 januari 2014 komt geheel tegemoet aan het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 april 2012. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht wordt dit besluit niet in de beoordeling betrokken.

4.3.

Nu de Svb het bestreden besluit niet handhaaft, bestaat er geen belang meer bij een rechterlijke beoordeling van dat besluit.

4.4.

Voor zover het hoger beroep ziet op het oordeel van de rechtbank dat appellant op de peildatum geen ingezetene is, heeft appellant daarbij geen procesbelang meer, omdat door de Svb inmiddels is erkend dat appellant verzekerd is over de kwartalen die in geding zijn.

5.1.

Het verzoek van appellant om schadevergoeding dient te worden aangemerkt als een verzoek schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zowel de bestuurlijke als de rechterlijke fase van de procedure.

5.2.

Voor de wijze van beoordeling van een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van

26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009, en het arrest van de Hoge Raad van

19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

5.3.

Voor dit geval betekent dat het volgende. Vanaf de ontvangst door de Svb van het bezwaarschrift van appellant op 27 april 2012 tot de datum van deze uitspraak zijn 4 jaar en ruim 6 maanden verstreken. De Raad heeft noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellante aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. De behandeling van het bezwaar door de Svb heeft bijna 8 maanden geduurd. De behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 18 januari 2013 tot de datum van deze uitspraak, 3 jaar en bijna 10 maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden. De ten laste van de Staat en de Svb te brengen schadevergoedingen bedragen onderscheidenlijk € 667,- en € 333,-.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt de Svb tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 667,-;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 333,-;

  • -

    bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt tot een bedrag van € 160,-.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2016.

(getekend) M.M. van de Kade

(getekend) L.H.J. van Haarlem

IvR