Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4386

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2016
Datum publicatie
21-11-2016
Zaaknummer
15/3547 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel. Tekortschietend besef voor verantwoordelijkheid in bestaan. Opname van bankrekening voor aanvraag bijstand. Hoogte en duur maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3547 WWB

Datum uitspraak: 15 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 april 2015, 14/2095 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek ingediend om de Svb te veroordelen tot vergoeding van schade.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2016. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Brauer. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.F.L.B. Metz.

OVERWEGINGEN

1.1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2.

Appellanten zijn met elkaar gehuwd. Appellante ontvangt vanaf [maand] 2011 en appellant vanaf [datum] 2013 een (gekort) ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Appellant ontvangt daarnaast pensioenuitkeringen.

1.3.

Uit een telefoonnotitie van de Svb van 8 mei 2013 blijkt dat op die datum met appellant vanwege de gekorte AOW, het kleine pensioen en het niet beschikken over vermogen de mogelijkheid van aanvullende bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) is besproken.

1.4.

De Svb heeft naar aanleiding van het op 28 oktober 2013 van appellanten retour ontvangen formulier aanvraag AIO-aanvulling bij besluit van 31 oktober 2013 aan appellanten een AIO-aanvulling als bedoeld in artikel 47a van de WWB toegekend met als ingangsdatum 7 november 2013.

1.5.

Na ontvangst van een signaal over een spaarrekening op naam van appellanten, heeft de Svb een onderzoek ingesteld naar de financiële situatie van appellanten en daartoe bij hen bankafschriften opgevraagd. Uit de overgelegde bankafschriften is gebleken, voor zover hier van belang, dat appellanten op 17 mei 2013 een bedrag van € 3.500,- en op 25 september 2013 een bedrag van € 4.000,- van hun betaalrekening hebben opgenomen.

1.6.

Bij besluit van 11 april 2014 heeft de Svb aan appellante (lees: appellanten) een maatregel opgelegd van € 429,51. Bij besluit van 26 juni 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat appellanten kort voor de aanvraag om een AIO-aanvulling een groot bedrag contant hebben opgenomen, waarvan € 6.638,- wordt toegerekend aan een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 47c, tweede lid, van de WWB, zoals dit artikellid luidde ten tijde hier van belang, is bepaald dat de Svb de algemene bijstand verlaagt ter zake van het niet of onvoldoende nakomen van de uit deze wet, met uitzondering van artikel 17, eerste lid, voortvloeiende verplichtingen, waaronder begrepen het zich jegens de Svb zeer ernstig misdragen dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van de Svb tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.2.

Artikel 47c van de WWB regelt voor de Svb wat artikel 18 van de WWB voor het college regelt. De in artikel 47c, tweede lid, van de WWB opgenomen zinsnede “naar het oordeel van” was ook opgenomen in artikel 18, tweede lid, eerste volzin, van de WWB, zoals dat luidde tot 1 juli 2009 en waarin onder meer de verlaging bij wijze van maatregel was geregeld. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 6 december 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU7664) heeft de wetgever - ondanks deze zinsnede - niet beoogd om aan het bijstandverlenend orgaan beoordelingsvrijheid toe te kennen met betrekking tot de vraag of in het concrete geval sprake is van handelen of nalaten van de belanghebbende dat een grondslag oplevert voor het verlagen van de bijstand. De bestuursrechter dient een dergelijke vaststelling van het bijstandverlenend orgaan dan ook volledig te toetsen. Er is geen grond hierover ten aanzien van artikel 47c, tweede lid, van de WWB anders te oordelen.

4.3.

Het bestreden besluit is gebaseerd op de Beleidsregels WWB 2012, zoals vastgesteld door de Svb (beleidsregels). Daarin is in paragraaf 3.2 neergelegd dat de Svb aanneemt dat sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als de belanghebbende handelingen verricht dan wel nalaat waardoor onnodig een beroep op de inkomensvoorziening wordt gedaan. De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat de inkomensvoorziening wordt aangevraagd. Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan bijvoorbeeld blijken uit het onverantwoord interen op het vermogen (met inbegrip van het doen van een schenking) of het niet of te laat aanvragen van een voorliggende voorziening. Van onverantwoord interen op het vermogen kan sprake zijn als de belanghebbende per maand meer dan anderhalf maal de relevante bijstandsnorm besteedt aan de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Van onverantwoord interen is eveneens sprake als de belanghebbende vermogen wegschenkt of opmaakt dat, als het was gebruikt voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, ertoe had geleid dat de belanghebbende gedurende een langere tijd geen beroep had hoeven doen op de inkomensvoorziening. Dat in beide situaties sprake kan zijn van een handelen of nalaten van de belanghebbende dat een grondslag oplevert voor het verlagen van de bijstand is niet betwist en ook in overeenstemming met vaste rechtspraak, vergelijk de uitspraken van

6 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7777 en van 3 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1949.

4.4.

Vaststaat dat appellanten op 17 mei 2013 een bedrag van € 3.500,- en op 25 september 2013 een bedrag van € 4.000,- van hun bankrekening in contant geld hebben opgenomen. De Svb heeft vastgesteld dat appellanten op 7 november 2013, de ingangsdatum van de

AIO-aanvulling, niet langer beschikten over vermogen boven de voor hen toepasselijke vrijlatingsgrens.

4.5.

De Svb heeft zich op het standpunt gesteld dat aan appellanten in de periode voor de bijstandverlening vermogen ter beschikking stond dat zij redelijkerwijs hadden kunnen aanwenden ten behoeve van het levensonderhoud, op zodanige wijze dat zij pas op een later moment een beroep op de inkomensvoorziening hadden hoeven doen. Door het opmaken van dit vermogen hebben appellanten een tekort schietend besef van verantwoordelijkheid betoond voor de voorziening in het bestaan.

4.6.

Appellanten hebben in hoger beroep aangevoerd dat hen geen tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan worden verweten. Zij hebben daartoe gesteld dat zij niet al vanaf mei 2013 wisten van een mogelijke aanspraak op AIO-aanvulling, zodat prudent moest worden omgegaan met het vermogen. Verder hebben zij toegelicht waarvoor het bedrag van

€ 7.500,- is gebruikt en is huns inziens, gelet op de bijzondere omstandigheden waarin zij verkeerden, de duur van de periode waarin dit bedrag is uitgegeven en de kosten waaraan het bedrag is uitgegeven, geen sprake van onverantwoord snel interen.

4.7.

De stelling dat appellanten er niet bekend mee waren dat zij aanspraak moesten maken op een AIO-aanvulling, wordt niet gevolgd. Appellante ontving vanaf september 2011 een gekort AOW-pensioen van destijds € 71,05 bruto per maand. Bij besluit van 3 mei 2013 heeft de Svb aan appellant AOW toegekend per 7 november 2013 en hem toen ook geïnformeerd over de hoogte van het te ontvangen (gekorte) pensioen. Appellant was voorts, zo blijkt uit de telefoonnotitie van 8 mei 2013, op de hoogte van het feit dat zijn pensioenuitkeringen gering zouden zijn. Ter zitting is komen vast te staan dat appellant op het moment dat hij zich op

8 mei 2013 telefonisch tot de Svb wendde, ermee bekend was dat zijn inkomen vanaf

7 november 2013 zodanig zou zijn, dat hij een beroep zou moeten doen op een

AIO-aanvulling. Hij zag, zo heeft hij verklaard, toen al dat hij niet van zijn AOW en pensioenen kon leven. Nu voor appellanten reeds op 8 mei 2013 duidelijk was dat zij vanaf

7 november 2013 een beroep zouden moeten doen op algemene bijstand in de vorm van een AIO-aanvulling, mocht van hen worden verwacht dat zij daarmee vanaf dat moment in hun uitgavenpatroon rekening zouden houden. Ook moesten zij er rekening mee houden dat zij hun uitgaven te zijner tijd bij het indienen van de aanvraag om een AIO-aanvulling zouden moeten verantwoorden.

4.8.

Ook het betoog van appellanten dat geen sprake is van onverantwoord snel interen, wordt verworpen. Daartoe wordt als volgt overwogen. Appellanten hebben voorafgaand aan de bijstandverlening beschikt over een bedrag van € 7.500,-, dat zij contant van hun rekening hebben opgenomen, welk bedrag bij aanvang van de bijstandverlening als AIO-aanvulling niet langer beschikbaar was. Naar aanleiding van de door appellanten verstrekte informatie heeft de Svb een bedrag van € 862,- voor de aanschaf en plaatsing van een houtkachel als besteding geaccepteerd en dit bedrag in mindering gebracht op het opgenomen bedrag. In het bestreden besluit heeft de Svb ook het bedrag voor de aanschaf van een kettingzaag van

€ 200,- als besteding geaccepteerd, zodat ook dit bedrag op het opgenomen bedrag van

€ 7.500,- in mindering kan worden gebracht. De rest van het bedrag is volgens appellanten aangewend voor een vakantie op Texel, een vakantie in Polen, een reis naar de Oekraïne en voor gezamenlijke uitstapjes en de kosten van verblijf van de dochter van appellante die met haar kind vanaf juni 2013 twee maanden bij hen in Nederland verbleef. De Svb heeft ter zitting toegelicht dat de gestelde kosten hiervan niet als besteding in aanmerking konden worden genomen, omdat deze kosten niet deugdelijk verantwoord zijn. Dit standpunt wordt gevolgd. Van de gestelde kosten van een verblijf op Texel zijn geen bewijsstukken voorhanden. Om de overige gestelde kosten te verantwoorden hebben appellanten alleen een verklaring van een buurvrouw over de uitstapjes met dochter en kleinkind overgelegd en een verklaring van een dochter over het verzorgen van planten en post toen haar vader naar Polen was, maar deze verklaringen bieden geen inzicht in de kosten en geven daarvoor ook geen deugdelijke en verifieerbare onderbouwing. Het voorgaande betekent dat de Svb zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellanten in de periode voorafgaand aan de

AIO-aanvulling een bedrag van € 6.438,- (€ 7.500,- minus de geaccepteerde kosten van

€ 862,- en € 200,-) onverantwoord hebben opgemaakt. Onder die omstandigheden bestaat geen aanleiding een berekening te maken van een fictieve interingstermijn vanaf december 2012, zoals appellanten voorstaan.

4.9.

Op grond van paragraaf 3.3.2 van de beleidsregels wordt in geval van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan een maatregel opgelegd die per maand tien procent van de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt. De Svb berekent de duur van de maatregel door het bedrag dat onverantwoord is ingeteerd te delen door anderhalf maal de toepasselijke bijstandsnorm, met een minimum van een maand en een maximum van twaalf maanden. Bij de berekening van de duur van de maatregel rondt de Svb naar beneden af op hele maanden. Appellanten hebben de redelijkheid van dit beleid niet bestreden.

4.10.

De Svb is in het bestreden besluit bij het bepalen van de hoogte van de maatregel uitgegaan van de bijstandsnorm over de maand september 2013 omdat, zo is gebleken uit de toelichting ter zitting, in die maand het (tweede) bedrag van € 4.000,- contant is opgenomen. Zoals ter zitting is vastgesteld, heeft de Svb daarbij een onjuist bedrag voor de bijstandsnorm gehanteerd, te weten € 1.431,72. Laatstgenoemd bedrag betreft namelijk de bijstandsnorm over januari 2014 en niet die over september 2013. In september 2013 bedroeg de bijstandsnorm voor gehuwden € 1.398,98. Dat betekent dat voor de hoogte van de maatregel moet worden uitgegaan van 10% van € 1.398,98 is, te weten € 139,90 in plaats van het door de Svb vastgestelde bedrag van € 143,17.

4.11.

De duur van de maatregel is gerelateerd aan de periode dat de belanghebbende buiten de bijstand had kunnen blijven. Uit 4.8 volgt dat appellanten een bedrag van € 6.438,- onverantwoord hebben ingeteerd. Dit bedrag gedeeld door anderhalf maal de bijstandsnorm

(€ 2.098,47) komt uit op 3,07 maanden en niet zoals in het bestreden besluit is opgenomen en ter zitting door de Svb is toegelicht op 2,99 maanden. Dat betekent dat bij afronding op hele maanden naar beneden in overeenstemming met de beleidsregels de duur van de maatregel moet worden vastgesteld op drie maanden. Dit is ook de duur van de maatregel zoals die door de Svb is vastgesteld, zodat voor het bepalen van de uiteindelijke hoogte van de maatregel het bedrag van € 139,90 met deze factor moet worden vermenigvuldigd. Dit resulteert in een totaal bedrag van € 419,70.

4.12.

In de aangevoerde omstandigheden met betrekking tot de gezondheidstoestand van appellant en de financiële situatie van appellanten behoefde de Svb geen aanleiding te zien af te zien van het opleggen van een maatregel dan wel de maatregel te matigen. Evenmin zijn daarin dringende reden gelegen die daartoe zouden moeten nopen.

4.13.

Appellanten hebben wel gesteld maar niet nader met stukken onderbouwd dat de Svb bij de invordering ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, zodat de Raad aan deze stelling voorbijgaat. Ter zitting heeft de gemachtigde van de Svb ook gewezen op de mogelijkheid te verzoeken een betalingsregeling te treffen, waarbij rekening wordt gehouden met de financiële draagkracht.

4.14.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de hoogte van de maatregel onjuist is vastgesteld en dat het bestreden besluit in zoverre niet voldoet aan het vereiste van een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak zal wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit vernietigen voor zover daarin is bepaald dat de hoogte van de maatregel € 429,51 bedraagt.

4.15.

De Raad ziet vervolgens aanleiding om in het kader van een definitieve beslechting van dit geschil met gebruikmaking van de in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb opgenomen bevoegdheid zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat de hoogte van de maatregel wordt vastgesteld op € 419,70.

4.16.

Indien en voor zover het bedrag van de opgelegde maatregel bij appellanten is ingevorderd komt aan appellanten vergoeding van geleden schade in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen bijstand toe. Voor de wijze waarop de Svb de rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

5. Aanleiding bestaat de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep en op € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 16,30 voor reiskosten in beroep en € 50,50 voor reiskosten in hoger beroep, in totaal € 2.050,80.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 26 juni 2014 gegrond en vernietigt dit besluit voor

zover de hoogte van de maatregel is gehandhaafd op € 429,51;

- stelt het bedrag van de maatregel vast op € 419,70 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre

in de plaats treedt van het besluit van 26 juni 2014;

- veroordeelt de Svb tot vergoeding van schade aan appellanten voor de reeds ingevorderde

bedragen op de wijze als aangeduid in rechtsoverweging 4.16;

- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.050,80;

- bepaalt dat de Svb het door appellanten in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en Y.J. Klik en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2016.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) C. Moustaïne

HD