Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4380

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2016
Datum publicatie
18-11-2016
Zaaknummer
16/183 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De aan strafontslag ten grondslag liggende verwijten zijn niet gewijzigd. Zelfstandige oordeelsvorming. Proces-verbaal strafrechtelijk onderzoek overtuigt dat appellant de hem verweten gedragingen heeft begaan. Plichtsverzuim. Grensoverschrijdend gedrag politiemedewerker. Opgelegde straf is niet onevenredig aan gedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/183 AW

Datum uitspraak: 17 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 november 2015, 15/1256 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. de Vries, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Vries. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S. Rabbering.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1 oktober 1997 werkzaam bij de politie, laatstelijk in de functie van [naam functie] bij de Dienst [naam Dienst, naam bureau] . [In] 2012 is hij aangehouden en in verzekering gesteld in verband met de aangifte van zijn oudste dochter tegen hem wegens meervoudige verkrachting. Op 7 december 2012 is appellant buiten functie gesteld vanwege de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim.

1.2.

Bij vonnis van 18 juli 2013 heeft de rechtbank Amsterdam appellant veroordeeld tot een gevangenisstraf van zesendertig maanden voor verkrachting en aanranding, beide meermalen gepleegd.

1.3.

Nadat de korpschef het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft de korpschef bij besluit van 23 juli 2013 appellant primair met onmiddellijke ingang wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag opgelegd en subsidiair ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Hieraan heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat op grond van het proces-verbaal van het strafrechtelijk onderzoek voldoende aannemelijk is geworden dat appellant tegen de wil van zijn dochter meerdere malen gemeenschap met haar heeft gehad.

1.4.

Bij arrest van 10 juli 2014 heeft het gerechtshof Amsterdam appellant vrijgesproken van verkrachting en veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden voor aanranding, meermalen gepleegd.

1.5.

Bij besluit van 20 november 2014 (bestreden besluit) heeft de korpschef, met overneming van het advies en de overwegingen van de Bezwaaradviescommissie HRM, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 juli 2013 ongegrond verklaard. De korpschef heeft hierbij zijn standpunt gehandhaafd dat voldoende aannemelijk is dat appellant tegen de wil van zijn dochter gemeenschap met haar heeft gehad.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de korpschef zich op basis van de beschikbare gegevens terecht op het standpunt heeft gesteld dat de seksuele handelingen tussen appellant en zijn dochter tegen haar wil hebben plaatsgevonden. Dat het hof Amsterdam het handelen van appellant in strafrechtelijke zin niet heeft gekwalificeerd als verkrachting, omdat het hof het element dwang niet bewezen heeft geacht, neemt niet weg dat uit de verklaringen kan worden afgeleid dat de handelingen tegen de wil van de dochter hebben plaatsgevonden. Verder is appellant onherroepelijk wegens aanranding veroordeeld. Deze handelingen heeft de korpschef terecht als ernstig plichtsverzuim gekwalificeerd. Dat de gedragingen in de privésfeer hebben plaatsgevonden, maakt dat niet anders. De straf van onvoorwaardelijk ontslag is, gelet op de aard en ernst van de verweten gedragingen, niet onevenredig.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft geen wijziging van de hem door de korpschef gemaakte verwijten plaatsgevonden. Zowel uit het voornemen tot strafontslag, het besluit van 23 juli 2013 als het bestreden besluit blijkt duidelijk dat aan het strafontslag het proces-verbaal van het strafrechtelijk onderzoek en de daarin geconstateerde gedragingen van appellant jegens en de seksuele handelingen met zijn dochter ten grondslag zijn gelegd. Dat die gedragingen en handelingen met wisselende termen - als ‘verkrachting’, als ‘gemeenschap tegen haar wil’, als ‘aanranding’, als ‘intimidatie en bedreiging’ - worden benoemd, maakt niet dat aan appellant ook wisselende gedragingen zijn verweten. Dat er in de loop van de procedure onduidelijkheid is opgetreden over wat de korpschef appellant heeft verweten, is de Raad uit het dossier ook niet gebleken.

4.2.

Uit het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak blijkt dat zowel de korpschef als de rechtbank op basis van het proces-verbaal van het strafrechtelijk onderzoek concluderen dat appellant de hem verweten gedragingen heeft begaan. Het betoog van appellant dat zij niet zelfstandig de feiten hebben vastgesteld volgt de Raad niet. Zowel de korpschef als de rechtbank concluderen ook - los van het vonnis van het hof - dat de gemeenschap van appellant met zijn dochter tegen haar wil heeft plaatsgevonden. Dat de korpschef en de rechtbank de veroordeling van appellant voor aanranding door het hof bij hun overwegingen hebben betrokken, doet niets af aan hun zelfstandige oordeelsvorming en zij mochten dit daarom doen. Net als de korpschef en de rechtbank ontleent de Raad aan het proces-verbaal van het strafrechtelijk onderzoek de overtuiging dat appellant de hem verweten gedragingen jegens en de seksuele handelingen met zijn dochter, kort getypeerd als aanranding en gemeenschap tegen haar wil, heeft begaan.

4.3.

Daarmee heeft appellant zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Het betoog van appellant dat de verweten gedragingen zich in de privésfeer hebben afgespeeld en geen verband hebben met zijn werk, slaagt niet. Het gaat hier om ernstige grensoverschrijdende gedragingen, die evident hun weerslag hebben op het functioneren van appellant als politiemedewerker. Het is immers onaanvaardbaar dat appellant gedrag vertoont waartegen de politieorganisatie waarbinnen hij werkzaam is juist handhavend dient op te treden.

4.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag, gezien de aard en ernst van de appellant verweten gedragingen, niet onevenredig is. Daarbij speelt geen rol dat de rechtbank spreekt van ernstig plichtsverzuim, daar waar de korpschef sprak van zeer ernstig plichtsverzuim. Waar het om gaat, is dat de korpschef het

plichtsverzuim zo ernstig vond dat alleen een onvoorwaardelijk ontslag een daarbij passende straf is, en dat de rechtbank die uitkomst in stand heeft gelaten. Als gezegd ziet de Raad geen reden voor een ander oordeel.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.J.T. van den Corput en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2016.

(getekend) B.J. van de Griend

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD