Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4377

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2016
Datum publicatie
18-11-2016
Zaaknummer
15/1465 AOR
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering AOR-uitkering. Niet gebleken dat appellante persoonlijk oorlogsgeweld is overkomen in het voormalig Nederlands-Indië. Appellante kan daarom niet worden aangemerkt als slachtoffer van oorlogsgeweld in de zin van de AOR. Dit betekent dat zij aan de AOR geen aanspraken kan ontlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1465 AOR

Datum uitspraak: 17 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 februari 2015, kenmerk BZ01811953 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2016. Daar is appellante verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-

van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren in 1946 in het toenmalig Nederlands-Indië. In november 2013 heeft zij verzocht om toekenningen op grond van de AOR.

1.2.

Bij besluit van 20 augustus 2014 en na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellante betrokken is geweest bij oorlogsomstandigheden als bedoeld in de AOR.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van artikel 1 van de AOR - zoals aangevuld bij Ordonnantie van 5 november 1945 (Ned. Ind. Stb. 1946, 118) - wordt onder oorlogsletsel verstaan, voor zover hier van belang:

het lichamelijk, dan wel geestelijk letsel, ziekte daaronder begrepen, hetwelk aan een persoon is overkomen

- als gevolg van een actie van de vijand, van enige handeling of nalatigheid van een onderdeel of lid van de weermacht of van de burgerlijke hulpdiensten in tijd van feitelijke oorlog, dan wel van maatregelen of omstandigheden welke met de oorlogsvoering onverbrekelijk samenhangen;

- gedurende internering, krijgsgevangenschap, gedwongen tewerkstelling, of gedurende gevangenschap, vooronderzoek dan wel aanhouding, als gevolg van verdenking wegens daden, welke gericht waren tegen de bevelen van het Japanse bezettingsleger en niet vallen onder het gewone strafrecht;

- in de periode vanaf 15 augustus 1945 (tot 13 januari 1954, zoals later is bepaald) als gevolg van tegen hem gerichte actie van de bedrijvers van de ongeregeldheden, welke na de capitulatie van Japan in Nederlands-Indië zijn ontstaan, dan wel als gevolg van de maatregelen tot herstel van de orde en rust genomen.

2.2.

Verweerder heeft het bestreden besluit doen steunen op de overweging dat niet is gebleken dat appellante persoonlijk oorlogsgeweld is overkomen in het voormalig Nederlands-Indië.

2.3.

De Raad volgt verweerder in dit standpunt. De AOR heeft alleen betrekking op eigen ervaringen die onder de werkingssfeer van artikel 1 vallen. Appellante heeft aangegeven dat zij de nasleep van de oorlogsgebeurtenissen nooit heeft kunnen verwerken. Zo heeft appellante aangegeven dat zij het verlies van haar vader, die in 1962 is overleden moeilijk kan verwerken. Haar ouders hebben geleden onder de barre omstandigheden van de oorlog. Appellante heeft daarbij echter geen specifieke feiten of omstandigheden naar voren gebracht waarop de AOR betrekking heeft. Van zulke omstandigheden is evenmin gebleken bij het door verweerder ingestelde onderzoek dat voldoende zorgvuldig is geweest. In bezwaar heeft appellante nog gewezen op de omstandigheid dat Ghurka’s haar moeder, terwijl zij in verwachting was van appellante, wilde meenemen, maar dat haar vader dat heeft kunnen verhinderen. Dat is echter geen gebeurtenis die onder de werking van de AOR kan worden gebracht. Het moet namelijk gaan om een oorlogsgebeurtenis die iemand persoonlijk heeft meegemaakt en een gebeurtenis die tijdens de prenatale fase heeft plaatsgevonden kan daartoe niet worden gerekend.

2.4.

Appellante kan daarom niet worden aangemerkt als slachtoffer van oorlogsgeweld in de zin van de AOR. Dit betekent dat zij aan de AOR geen aanspraken kan ontlenen.

2.5.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2016.

(getekend) M.T. Boerlage

(getekend) A. Mansourova

HD