Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4371

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2016
Datum publicatie
17-11-2016
Zaaknummer
15/7390 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu geen sprake is van plichtsverzuim was de minister niet bevoegd om appellant een disciplinaire straf op te leggen. Verweten plichtsverzuim houdt geen stand. Appellant verlengde zijn verblijf in Turkije met enkele dagen te verlengen om zijn zaken te kunnen afronden. Appellant kon niet op tijd terug in Nederland zijn om aldaar zijn dienst te verrichten. Dat deze omstandigheid mogelijk is veroorzaakt door een gebrekkige planning van zijn reis door appellant zelf kan hieraan niet afdoen. Het was verstandiger geweest als appellant al voordat hij zijn vliegticket had omgeboekt contact had opgenomen met zijn werkgever, doch dit verwijt is niet zodanig ernstig dat dit kan worden aangemerkt als plichtsverzuim. Schadevergoeding, bestaande uit de wettelijke rente over het na te betalen bedrag aan salaris.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7390 AW

Datum uitspraak: 10 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

29 september 2015, 14/7825 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. de Waard, advocaat, hoger beroep ingesteld en daarbij om schadevergoeding (wettelijke rente) verzocht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een verklaring van (voormalig) collega [naam] overgelegd.

De minister heeft een schriftelijke reactie gegeven en daarbij eveneens een verklaring van [naam] overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Waard. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Verhagen en R.L.C. Engel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds 1998 werkzaam bij de [penitentiaire inrichting]

( [penitentiaire inrichting] ), laatstelijk in de functie van penitentiair inrichtingswerker. Bij besluit van

11 juli 2013 is aan appellant wegens onheuse bejegening van een gedetineerde de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping opgelegd op grond van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder a, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).

1.2.

Bij besluit van 27 november 2013 heeft de minister overeenkomstig zijn voornemen appellant wegens ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag

opgelegd als bedoeld in artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, en derde lid, van het ARAR, waarbij is bepaald dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd indien appellant zich binnen een termijn van twee jaar niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor appellant gestraft wordt, dan wel dat hij zich aan enig ander ernstig plichtsverzuim schuldig maakt. Appellant wordt verweten dat hij via het inlogaccount van collega K (niet in beperkte mate) gebruik heeft gemaakt van het internet voor privédoeleinden en voorts opzettelijk informatie heeft verzwegen waarvan hij wist dat deze voor de dienst belangrijk was.

1.3.

Appellant heeft tegen de besluiten van 11 juli 2013 en 27 november 2013 geen rechtsmiddelen aangewend, beide besluiten staan in rechte vast.

1.4.

Voor de periode van 3 tot en met 10 november 2013 heeft appellant verlof opgenomen en is hij naar Turkije gereisd om daar een aantal zaken, waaronder de afkoop van zijn Turkse dienstplicht te regelen en om een bezoek aan zijn schoonfamilie te brengen. Op 8 november 2013 heeft appellant vanuit Turkije gebeld met de [penitentiaire inrichting] en daarbij aan afdelingshoofd M gemeld dat hij zijn afspraken in Turkije nog niet had kunnen afronden waardoor hij genoodzaakt was zijn verblijf in Turkije te verlengen zodat hij zijn dienst op

11 november 2013 wegens overmacht niet kon hervatten en dat hij naar verwachting op

14 november 2013 in de ochtend zou terugkeren, zodat hij die middag zijn werk kon hervatten. Overeenkomstig de afspraak met M heeft appellant op 11 november 2013 het voorgaande telefonisch besproken met afdelingshoofd S.

1.5.

Nadat appellant in de ochtend van 14 november 2013 was gearriveerd op Schiphol kon hij ten gevolge van een brand in de Schipholtunnel niet met het openbaar vervoer doorreizen naar zijn werk. Hij heeft vervolgens telefonisch contact opgenomen met de [penitentiaire inrichting] en daarbij van [naam] , medewerkster planning, vernomen dat inmiddels in vervanging voor zijn dienst was voorzien en dat hij niet meer hoefde te komen op die dag.

1.6.

Op 16 november 2013 is appellant ongeveer anderhalf uur te laat voor zijn dienst, die aanving om 07.30 uur, verschenen.

1.7.

Bij besluit van 20 juni 2014 heeft de minister, nadat hij daartoe een voornemen bekend heeft gemaakt, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, aan appellant wegens ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag als bedoeld in artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR opgelegd. Dit besluit heeft de minister bij besluit van 21 november 2014 (bestreden besluit), overeenkomstig het advies van de commissie bezwaarschriften en onder aanvulling van de motivering, gehandhaafd en het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. De appellant verweten gedragingen bestaan erin dat hij zonder geldige reden niet tijdig is teruggekeerd van verlof uit Turkije, waardoor hij ongeoorloofd afwezig is geweest op maandag 11 november 2013 en donderdag 14 november 2013. Ten aanzien van zijn afwezigheid op donderdag 14 november 2013 heeft hij geen contact opgenomen met zijn leidinggevende. Verder is hij op 16 november 2013 te laat voor zijn dienst verschenen en heeft daarover geen contact opgenomen met zijn leidinggevende. Ten slotte heeft appellant nagelaten om zijn verklaringen omtrent zijn afwezigheid met deugdelijke bewijsstukken te onderbouwen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Bij de behandeling door de rechtbank heeft de minister het verwijt dat appellant heeft nagelaten om zijn verklaringen met deugdelijke bewijsstukken te onderbouwen, laten vallen.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals ter zitting bij de Raad namens de minister uitdrukkelijk is bevestigd, beoogt het bestreden besluit niet de tenuitvoerlegging van het besluit van 27 november 2013, nu de verweten gedragingen vóór deze datum hebben plaatsgevonden.

4.2.1.

Met appellant en anders dan de minister en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verweten gedragingen niet kunnen worden gekwalificeerd als plichtsverzuim.

4.2.2.

Appellant heeft uiteengezet dat het voor hem van groot belang was om zijn verblijf in Turkije met enkele dagen te verlengen om zijn zaken te kunnen afronden. Appellant kon niet op 11 november 2013 terug in Nederland zijn om aldaar zijn dienst te verrichten. Dat deze omstandigheid mogelijk is veroorzaakt door een gebrekkige planning van zijn reis door appellant zelf kan, zoals door de minister gesteld, hieraan niet afdoen. Het was verstandiger geweest als appellant al voordat hij zijn vliegticket had omgeboekt contact had opgenomen met zijn werkgever, doch dit verwijt is niet zodanig ernstig dat dit kan worden aangemerkt als plichtsverzuim.

4.2.3.

Voorts is van belang dat, zoals ook namens de minister ter zitting bij de Raad is bevestigd, door de brand in de Schipholtunnel op 14 november 2014, ten gevolge waarvan er geen treinen reden vanaf Schiphol, sprake was van overmacht waardoor appellant op die dag niet tijdig op zijn werk kon verschijnen. Vaststaat dat appellant op 14 november 2013 driemaal telefonisch contact heeft gehad met de [penitentiaire inrichting] en daarbij in ieder geval heeft gesproken met de planner, [naam] Hoewel de door partijen overgelegde verklaringen van [naam] , van 6 februari 2014 en 18 september 2016, niet geheel eenduidig zijn over de inhoud van dit telefonisch contact, heeft appellant hieruit naar het oordeel van de Raad mogen begrijpen dat inmiddels in vervanging voor zijn dienst was voorzien, dat zijn leidinggevende hiervan op de hoogte was en dat hij die dag niet meer op het werk hoefde te komen tenzij hij zou worden teruggebeld, wat niet is gebeurd.

4.2.4.

Appellant heeft erkend dat hij op 16 november 2013 te laat op zijn werk is gekomen omdat hij zich verslapen had en dat hij om 08.33 uur de portier heeft gebeld met het bericht dat hij later zou komen. Hij heeft gesteld dat hij zich na aankomst om 09.00 uur via een vast telefoontoestel bij zijn leidinggevende B heeft gemeld. Vastgesteld kan worden dat appellant op 16 november 2013 voor een relatief korte tijd, namelijk ongeveer anderhalf uur afwezig is geweest. Niet gebleken is dat appellant vaker te laat kwam op zijn werk. Daarom is in dit geval geen sprake van frequent en substantieel te laat komen dat kan worden gekwalificeerd als plichtsverzuim (vergelijk de uitspraak van 8 augustus 2002, ECLI:NL:CRVB:2022:BJ3199). Het standpunt van de minister dat appellant de procedure van het van toepassing zijnde verzuimreglement niet heeft gevolgd volgt de Raad niet nu in dit reglement voor het melden van afwezigheid (ook) is bepaald dat in het geval de leidinggevende op het moment van melden nog niet bereikbaar is, de medewerker zijn afwezigheid aankondigt bij de dienst of inrichting en in dat geval zo snel mogelijk daarna in gesprek moet gaan met zijn leidinggevende. Vaststaat dat appellant zijn afwezigheid bij de inrichting, met name de portier, heeft gemeld. Op basis van de gedingstukken kan niet worden vastgesteld of appellant en leidinggevende B op die dag al dan niet met elkaar hebben gesproken over de afwezigheid en de daarop volgende aanvang van de dienst door appellant. De mededelingen van leidinggevende B zijn hiervoor niet toereikend. Er is onvoldoende basis voor de conclusie dat appellant de verzuimprocedure niet goed heeft gevolgd. Tenslotte is gesteld noch gebleken dat de afwezigheid van appellant op de betreffende dagen heeft geleid tot onoverkomelijke problemen in de bedrijfsvoering, dan wel tot ernstige risico’s voor personeel en/of gedetineerden in de [penitentiaire inrichting] . In de situatie, zoals hier aan de orde, dat sprake is van een reeks van elk afzonderlijk niet als plichtsverzuim te beschouwen gedragingen, kunnen die gedragingen ook in onderlinge samenhang geen plichtsverzuim opleveren.

4.3.

Nu geen sprake is van plichtsverzuim was de minister niet bevoegd om appellant een disciplinaire straf op te leggen. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Voorts ziet de Raad aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 20 juni 2014 te herroepen. Door dit oordeel behoeven de overige gronden van het hoger beroep geen bespreking meer.

4.4.

Uit het in 4.3 gegeven oordeel volgt dat het verzoek van appellant om de minister te veroordelen tot vergoeding van schade, bestaande uit de wettelijke rente over het na te betalen bedrag aan salaris, moet worden toegewezen. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

5. Er bestaat aanleiding de minister te veroordelen tot vergoeding van de kosten van appellant voor verleende rechtsbijstand in bezwaar van € 992,-, in beroep van € 992,- en in hoger beroep van € 992,-, in totaal € 2.976,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 21 november 2014;

- herroept het besluit van 20 juni 2014;

- veroordeelt de minister tot vergoeding aan appellant van de schade zoals onder 4.4 van deze

uitspraak is vermeld;

- bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 413,- vergoedt;

- veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 2.976,-.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2016.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) L.V. van Donk

HD