Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4357

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2016
Datum publicatie
17-11-2016
Zaaknummer
15/4264 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. Juistheid FML.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-1130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4264 WIA

Datum uitspraak: 16 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
11 mei 2015, 15/388 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft stukken overgelegd, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2016. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als fitter bij [naam werkgever] Op 3 juli 2012 heeft appellant zich ziek gemeld wegens lichamelijke en psychische klachten.

1.2.

Bij besluit van 6 juni 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van 1 juli 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts van 21 mei 2014 en een rapport van een arbeidsdeskundige van 5 juni 2014.

1.3.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 23 december 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 december 2014 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 22 december 2014.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, gelet op de beschikbare medische gegevens, waaronder het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 december 2014, geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellant, zoals die na enkele aanpassingen zijn opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 december 2014, niet juist zijn vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deugdelijk gemotiveerd en inzichtelijk aangegeven dat er argumenten zijn om af te wijken van het medische oordeel van de primaire verzekeringsarts in diens medisch onderzoeksverslag van 21 mei 2014, waarna appellant iets meer beperkt is geacht in zijn benutbare mogelijkheden. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet enkel gaat om de diagnose en de klachten, maar ook om de bevindingen bij functioneel onderzoek. Wat door appellant als een beperking wordt genoemd kan niet als een beperking in de zin van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling worden aangemerkt, maar eerder als een door hem ervaren belemmering in zijn functioneren die een medisch objectieve grond ontbeert. In elk geval is geen sprake van een objectiveerbare progressie in het ziektebeeld. Appellant heeft geen (objectief) medische gegevens ingebracht op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat hij op de datum in geding (1 juli 2014) meer beperkt was dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank berust het bestreden besluit op een toereikende medische grondslag. Uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde medische beperkingen leveren de voorhanden zijnde gegevens volgens de rechtbank voldoende steun voor het oordeel dat de belasting in de aan appellant voorgehouden functies zijn beperkingen niet te boven gaat en dat deze functies daarmee voor appellant in medisch opzicht geschikt zijn te achten.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij veel lichamelijke klachten heeft en steeds meer in een isolement komt. Appellant is in behandeling bij een andere huisarts, omdat hij door zijn vorige huisarts niet serieus werd genomen. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant stukken overgelegd die zien op het re-integratietraject dat via zijn werkgever heeft plaatsgevonden, alsmede brieven van neuroloog R. Bremmer van 19 juni 2012,
gastro-enteroloog J.H.W. Bergmann van 31 oktober 2012, maag-darm-leverarts
L.A. van der Waaij van 5 november 2012, revalidatiearts J.B. Posthumus van 5 februari 2013 en neurochirurg M. Abu Saris van 23 juli 2012.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het oordeel van de rechtbank en de daaraan door haar ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Naar aanleiding van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd en aan medische informatie heeft ingediend, wordt daaraan nog het volgende toegevoegd.

4.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 4 augustus 2015 inzichtelijk gemotiveerd dat de door appellant in hoger beroep overgelegde medische informatie betreffende pyrosis (zuurbranden) en rug- en duizeligheidsklachten geen aanleiding geeft om (nog) meer beperkingen in de FML op te nemen. Daarbij is van belang dat in de FML beperkingen zijn opgenomen voor de spannings-, darm-, nek- en duizeligheidsklachten van appellant. Hetgeen de rechtbank daartoe onder 6.2 heeft overwogen, wordt onderschreven. Voorts is van belang dat maag-darm-leverarts Van der Waaij in zijn brief van 5 november 2012 een kleine sliding hernia diafragmatica heeft vastgesteld, waarvoor medicatie (omeprazol) is voorgeschreven om de zuurbranden tegen te gaan, dat revalidatiearts Posthumus in zijn brief van december 2012 heeft vastgesteld dat het beter gaat met de zuurbranden na de start met omeprazol en dat appellant omstreeks de datum in geding geen klachten van zuurbranden heeft vermeld. De door appellant in hoger beroep ingediende stukken leiden daarom niet tot een ander oordeel.

4.3.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2016.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) L.H.J. Haarlem

NW