Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4346

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2016
Datum publicatie
17-11-2016
Zaaknummer
14/6882 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voorzieningen voor opname en verblijf in een verzorgingshuis en voor verhuizing en herinrichting. Geen medische noodzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6882 WUV

Datum uitspraak: 3 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen:

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] , Israël (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C. Lamphen, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 oktober 2014, kenmerk BZ01737914 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2016. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Lamphen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. In oktober 2013 heeft zij verzocht om voorzieningen voor opname en verblijf in een verzorgingshuis en voor verhuizing en herinrichting. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft onderzoek plaatsgevonden door geneeskundig adviseur Y. Engelberg. Bij besluit van 5 maart 2014 is de aanvraag afgewezen. Geoordeeld is dat een voorziening voor opname en verblijf in een verzorgingshuis niet medisch noodzakelijk is in verband met de psychische klachten van appellante. Een voorziening voor verhuizing en inrichting is volgens verweerder in verband met die klachten niet medisch noodzakelijk of medisch-sociaal wenselijk.

1.2.

Appellante heeft tegen het besluit van 5 maart 2014 bezwaar gemaakt. Zij heeft daarbij een rapportage van B. Maoz, psychiater, overgelegd. In maart 2014 is appellante met haar echtgenoot verhuisd naar verzorgingshuis [naam verzorgingshuis] in Israël. Het bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Appellante is van mening dat haar causale psychische klachten aanleiding hadden moeten geven tot toekenning van de gevraagde voorzieningen. Zij heeft in beroep nogmaals een psychiatrische expertise, ditmaal van R. Mitelpunkt, psychiater, overgelegd.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Geneeskundig adviseur Engelberg heeft geoordeeld dat appellante nu nog goed functioneert in haar huishouden. Zij doet alles zelf. De reden voor verhuizing naar een verzorgingshuis ligt vooral in de gezondheid van haar man. Appellante heeft weliswaar te maken met dementiële klachten, maar ziet deze niet als reden om naar een verzorgingshuis te verhuizen. Zij is niet eenzaam en heeft een goede dagvulling. Daarom is er geen medische noodzaak vast te stellen voor opname in een verzorgingshuis.

3.2.

De Raad kan deze conclusies volgen. Niet gebleken is dat de als causaal aanvaarde psychische klachten van appellante, zijnde depressieve klachten en herbelevingen als gevolg van PTSS, opname in een verzorgingshuis noodzakelijk hebben gemaakt. De rapportage van Engelberg stelt, in tegendeel, dat de causale psychische klachten stabiel zijn en dat de depressie, hoewel nog latent aanwezig, niet meer op de voorgrond staat. De Raad ziet in de rapportages van Maoz en Mitelpunkt geen reden om deze bevindingen in twijfel te trekken. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat hun vaststelling dat sprake is van een specifiek door de genoemde klachten ingegeven noodzaak tot opname in een verzorgingshuis, niet nader is onderbouwd. Met name ontbreekt in beide rapportages een inventarisatie van het sociaal functioneren van appellante. Er is dus voorbij gegaan aan de vraag hoe dat functioneren zich tot de gestelde medische noodzaak verhoudt. Volgens verweerder zou die noodzaak kunnen worden onderschreven als appellante een geïsoleerd leven zou hebben geleid of van een schraal sociaal functioneren sprake zou zijn geweest, maar dat is geenszins het geval. Er zijn geen redenen naar voren gekomen waarom deze conclusie niet zou kunnen worden gevolgd. Appellante was ten tijde van belang niet in behandeling voor haar psychische klachten. Opgemerkt wordt daarbij nog dat de dementiële klachten, die immers niet in verband staan met de vervolging, in dit verband geen rol kunnen spelen.

3.3.

Het voorgaande betekent dat de weigering van verweerder om een vergoeding voor opname en verblijf in een verzorgingshuis en/of voor verhuis- en inrichtingskosten toe te kennen, stand houdt. De conclusie van verweerder dat in dit geval ook geen sprake is van een medisch-sociale wenselijkheid die aanspraak zou geven op een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten kan evenmin voor onjuist worden gehouden. Van een

medisch-sociale wenselijkheid als hier bedoeld is sprake als uit niet-causale aandoeningen een indicatie voor opname in een verzorgingshuis voortvloeit en causale psychische aandoeningen een aandeel hebben gehad in die indicatie. Volgens verweerder hadden de dementiële klachten van appellante ten tijde van belang nog niet dusdanige vormen aangenomen dat deze een dergelijke indicatie op grond van niet-causale aandoeningen opleverden. Dit wordt bevestigd door de rapportage van Engelberg en is namens appellante niet weersproken.

3.4.

Het beroep moet ongegrond worden verklaard.

4. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en C.H. Bangma en

M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2016.

(getekend) B.J. van de Griend

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD