Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4331

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2016
Datum publicatie
15-11-2016
Zaaknummer
16/2124 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad kan zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank en het daarop gebaseerde oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2124 ANW

Datum uitspraak: 11 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

25 februari 2016, 15/5519 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] , Turkije (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Y. Ӧzdemir, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft afgezien van het indienen van een verweerschrift maar nadien op verzoek een nadere reactie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2016. Namens appellante is verschenen mr. O. Batur. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E. Kort-Schenk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft na het overlijden van haar echtgenoot op 9 maart 2013 een aanvraag, gedateerd 19 april 2013, om nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) ingediend bij de Svb.

1.2.

Bij besluit van 29 juli 2013 heeft de Svb geweigerd aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen omdat appellante niet voor 1950 is geboren, zij niet voor meer dan 45% arbeidsongeschikt is of een eigen kind of pleeg- of stiefkind verzorgt dat jonger is dan 18 jaar.

1.3.

Bij brief van 30 augustus 2013 heeft appellante tegen het besluit van 29 juli 2013 bezwaar gemaakt en daarbij de Svb onder meer bericht dat zij in verband met lichamelijke en psychische klachten arbeidsongeschikt is.

1.4.

Op verzoek van de Svb heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een medisch en arbeidskundig onderzoek verricht naar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 9 maart 2013. Op grond van rapporten van de verzekeringsarts van 5 december 2014 en de arbeidsdeskundige van 8 december 2014 heeft het Uwv bij brief van

17 december 2014 de Svb geadviseerd om appellante niet aan te merken als arbeidsongeschikt in de zin van de ANW.

1.5.

Bij brief van 9 januari 2015 heeft de Svb appellante bericht dat uit onderzoek door het Uwv is gebleken dat appellante niet arbeidsongeschikt in de zin van de ANW is. Met de bij haar vastgestelde belemmeringen moet appellante in staat worden geacht arbeid te verrichten, verbonden aan de in de brief genoemde functies.

1.6.

Appellante heeft naar aanleiding hiervan de Svb mededeling gedaan dat zij als gevolg van lichamelijke en psychische klachten arbeidsongeschikt is, dat zij opnieuw gekeurd wenst te worden en dat zij nadere gegevens zal overleggen.

1.7.

Bij besluit van 22 juli 2015 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 juli 2013 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de Svb verwezen naar een advies van het Uwv van 15 juli 2015 en naar de daaraan ten grondslag liggende rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv van 8 juni 2015 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 13 juli 2015.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde beperkingen. Die verzekeringsarts had bij haar onderzoek de beschikking over veel medische informatie van de behandelend sector. Een medisch onderzoek in Nederland was daarom ook niet noodzakelijk. De rechtbank wijst er voorts op dat het bij het vaststellen van beperkingen gaat om beperkingen die een medisch objectiveerbaar gevolg zijn van ziekte en niet om de subjectieve beleving van appellante van haar klachten. De aan de hand van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde voorbeeldfuncties moet appellante met haar beperkingen kunnen verrichten. In die functies kan appellante het minimumloon verdienen. De Svb heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante op 9 maart 2013 in staat was om ten minste 55% te verdienen van wat gezonde, soortgelijke personen met arbeid gewoonlijk verdienen, zodat zij niet voldoet aan de voorwaarden voor het recht op een nabestaandenuitkering. De Svb heeft de aanvraag van appellante dan ook terecht afgewezen.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij – gelet op de overgelegde medische gegevens – arbeidsongeschikt is en niet in staat is om ten minste 55% te verdienen van wat gezonde, soortgelijke personen met arbeid verdienen.

3.1.

De Svb heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is de vraag of de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft geoordeeld dat de Svb met recht heeft geweigerd aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen omdat zij minder dan 45% arbeidsongeschikt is.

4.2.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van de ANW.

Artikel 11 van de ANW luidt:

“1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.”

4.3.

Volgens vaste rechtspraak wordt ervan uitgegaan dat de wetgever met deze bepaling kennelijk heeft beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de rechtspraak met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten.

4.4.

De Raad kan zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank en het daarop gebaseerde oordeel. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen reden bestaat te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv vastgestelde bij appellante bestaande beperkingen, vermeld in de door haar aangepaste FML van 9 juni 2015. Terecht wijst de rechtbank er daarbij op dat die verzekeringsarts bij haar oordeelsvorming de beschikking had over een veelheid aan informatie van appellante uit Turkije. In haar rapport van 8 juni 2015 motiveert die verzekeringsarts ook inzichtelijk en overtuigend dat die door haar aangepaste FML een weerslag is van de beperkingen die appellante ondervindt bij het verrichten van arbeid. Desgevraagd motiveert die verzekeringsarts in haar rapport van

18 augustus 2016 op toereikende wijze dat op grond van de overgelegde rapporten de psychische klachten van appellante eerst zijn ontstaan na het overlijden van haar echtgenoot en niet al bestonden vooraf aan dat overlijden. In hoger beroep heeft appellante tegenover het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen medisch onderbouwd oordeel gesteld dat aanleiding geeft tot twijfel aan de conclusies van die verzekeringsarts.

4.5.

Omdat de verzekeringsarts de in eerste instantie opgemaakte FML heeft aangevuld, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep enkele van de oorspronkelijk voorgehouden voorbeeldfuncties laten vervallen en op basis van de FML van 9 juni 2015 een tweetal nieuwe functies geselecteerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft – met tussenkomst van de verzekeringsarts bezwaar en beroep – ook op inzichtelijke en toereikende wijze gemotiveerd waarom de door hem geselecteerde functies ook met inachtneming van de daarin voorkomende signaleringen voor appellante geschikt zijn.

4.6.

Terecht komt de rechtbank tot het oordeel dat appellante met de onder 4.5 bedoelde functies het minimumloon kan verdienen, zodat zij op 9 maart 2013 in staat was om ten minste 55% te verdienen van wat gezonde, soortgelijke personen met arbeid gewoonlijk verdienen. Appellante voldoet daarom niet aan de voorwaarden voor het recht op een nabestaandenuitkering, omdat zij op de datum in geding minder dan 45% arbeidsongeschikt is. De rechtbank wordt dan ook gevolgd in haar oordeel dat de Svb de aanvraag van appellante terecht heeft afgewezen.

4.7.

Uit wat hiervoor onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen, vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door L. Koper, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2016.

(getekend) L. Koper

(getekend) J.C. Borman

NK