Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:433

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-02-2016
Datum publicatie
09-02-2016
Zaaknummer
13/5573 WAJONG-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. De Raad acht in het licht van de aangedragen informatie een nadere motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep noodzakelijk van de begeleidingsbehoefte van appellante, in het bijzonder van de toelichting bij item 1.9.3 van de FML dat appellante regelmatig/vaak bevestiging nodig heeft van/over waar zij mee bezig is. Daarbij dient de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep te worden geraadpleegd en nader te motiveren of de in de geduide functies genoemde functionarissen (groepsleider, meewerkend voorman, afdelingschef) voldoende zijn toegerust om de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde begeleiding te kunnen bieden. Het bestreden besluit berust niet op een toereikende medische en arbeidskundige motivering. Het Uwv wordt opgedragen de gebreken in het besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5573 WAJONG-T, 15/3793 WAJONG-T

Datum uitspraak: 5 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 september 2013, 13/197 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Th. Martens, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld (registratienummer 13/5573).

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, onder bijvoeging van een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 december 2013 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 18 december 2013.

Het Uwv heeft een beslissing op bezwaar van 17 maart 2014 overgelegd.
De Raad heeft deze beslissing in het onderzoek betrokken (registratienummer 15/3793).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2015. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.


OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [in] 1987, heeft op 7 september 2007 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Het Uwv heeft deze aanvraag bij besluit van 15 november 2007 afgewezen, omdat appellante met ingang [in] 2005 minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.2.

Op 21 april 2008 heeft appellant verzocht het besluit van 15 november 2007 te herzien. Bij besluit van 6 augustus 2008 heeft het Uwv geweigerd om terug te komen van het besluit van 15 november 2007, omdat uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die ertoe leiden dat dat besluit onjuist zou zijn. Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 augustus 2008.

1.3.

Op 11 augustus 2012 heeft appellante opnieuw een Wajong-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 28 augustus 2012 heeft het Uwv geweigerd om terug te komen van de besluiten van 15 november 2007 en 6 augustus 2008, omdat uit het ingestelde onderzoek gebleken is dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die ertoe leiden dat die besluiten onjuist zouden zijn.

1.4.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 augustus 2012. Bij besluit van 7 februari 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de ingebrachte informatie geen nieuwe feiten of omstandigheden bevat waardoor op de eerdere beslissingen zou moeten worden teruggekomen. Wel heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 28 januari 2013 geconcludeerd dat per 21 april 2007 (1 jaar voor de tweede Wajong-aanvraag) sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak en heeft deze beperkingen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vastgelegd. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 5 februari 2013 blijkt evenwel dat appellante met deze beperkingen in staat is passende functies uit te oefenen waarmee zij ook op die datum minder dan 25% arbeidsongeschikt is.

2.1.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de in het bestreden besluit vervatte weigering om appellante per 21 april 2007 in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering, niet kan worden aangemerkt als een resultaat van een heroverweging in het kader van een bezwaar, maar dat dit deel van het bestreden besluit een primair besluit is, waartegen bezwaar mogelijk is. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit in zoverre niet-ontvankelijk verklaard en het beroepschrift ter behandeling als bezwaarschrift doorgezonden aan het Uwv.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit voor het overige ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de door appellante overgelegde stukken weliswaar deels nieuw zijn, maar geen wezenlijk andere gegevens bevatten met betrekking tot haar gezondheidstoestand op de dag dat zij 17 jaar oud werd en per einde wachttijd

( [in] 2005) dan de gegevens waarmee de verzekeringsarts in 2007 reeds bekend was en waarop het besluit van 15 november 2007 (en in het verlengde daarvan het besluit van

6 augustus 2008) is gebaseerd. De enkele omstandigheid dat nu duidelijk is dat deze klachten samenhangen met onder andere ADHD leidt er niet toe dat deze diagnose als nieuw feit of veranderde omstandigheid moet worden aangemerkt. Bij de vraag naar de aanwezigheid en de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wajong gaat het immers niet zozeer om de gestelde diagnose als wel om de in aanmerking te nemen beperkingen. De per 3 april 2008 verleende WSW-indicatie en de daaraan ten grondslag liggende rapportage van de Arbo Unie kunnen evenmin als nova worden aangemerkt.

3. Appellante is in hoger beroep gekomen tegen het in 2.2 vermelde onderdeel van de aangevallen uitspraak. Zij heeft aangevoerd dat de door haar ingebrachte informatie, in het bijzonder de gestelde diagnose ADHD, een persoonlijkheidsstoornis en een lichte verstandelijke beperking, een nieuw licht werpt op haar - toenmalige en huidige - medische situatie. Het Uwv had moeten onderzoeken of de nieuwe informatie aanleiding geeft tot het aannemen van meer beperkingen. Er is per 21 april 2007 geen sprake van toegenomen beperkingen; de beperkingen zijn [in] 2005 te licht ingeschat. Appellante is ook met de door het Uwv alsnog per 21 april 2007 vastgestelde beperkingen niet in staat de geduide functies te vervullen. Door de combinatie van haar beperkingen kan zij niet in een reguliere functie werken en is aangewezen op een beschutte werkomgeving. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante verklaard dat zij niet met terugwerkende kracht [in] 2005 of 21 april 2007 een uitkering wenst, maar wel van mening is dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per die data onjuist is beoordeeld en zij daarom recht heeft op een Wajong-uitkering.

4.1.

In het verweerschrift heeft het Uwv, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 december 2013, gesteld dat de beperkingen van appellante, zoals die per 21 april 2007 gelden, ook al geldig zijn vanaf de 17e verjaardag

[in] 2004). Daarmee wordt teruggekomen van de destijds vastgestelde belastbaarheid. Dit laat echter onverlet dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in zijn rapport van 18 december 2013 beoordeeld wat de gevolgen zijn van de gewijzigde belastbaarheid voor de mate van arbeidsongeschiktheid [in] 2005 en heeft geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van op dat moment actuele passende functies ongewijzigd minder dan 25% bedraagt.

4.2.

Bij besluit van 17 maart 2014 heeft het Uwv ter uitvoering van het in 2.1 vermelde onderdeel van de aangevallen uitspraak, het bezwaar tegen het besluit van 7 februari 2013 dat appellante met ingang van 21 april 2007 geen recht heeft op een Wajong-uitkering, ongegrond verklaard.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1, moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit, dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst. Indien in een voorkomend geval niet (geheel) duidelijk is wat met een aanvraag wordt beoogd, ligt het op de weg van het Uwv daarover bij de aanvrager nadere informatie in te winnen. Het onderscheid in wat de belanghebbende heeft beoogd, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het Uwv en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende.

5.2.

De aanvraag van 11 augustus 2012 moet worden aangemerkt als een verzoek om herziening voor de toekomst van het besluit van 15 november 2007, waarbij de aanvraag van 7 september 2007 van een Wajong-uitkering is afgewezen.

5.3.

In de uitspraak van 14 januari 2015 is verder uiteengezet op welke wijze dergelijke aanvragen door de aanvrager moeten worden onderbouwd en door het Uwv moeten worden beoordeeld, en hoe de rechter beslissingen van het Uwv op dergelijke aanvragen toetst. Is sprake van een aanvraag waarbij - ook - voor de toekomst wordt verzocht om terug te komen van een eerder besluit, dan moet de aanvrager feiten of omstandigheden vermelden die aanleiding (kunnen) geven tot een ander, voor de aanvrager gunstiger, besluit dan het besluit waarvan herziening wordt gevraagd. Met name zijn hierbij feiten en omstandigheden relevant die – ten minste ook – zien op de voor het oorspronkelijke besluit geldende beoordelingsdatum. De aanvraag moet deugdelijk en toereikend zijn onderbouwd en, voor zover mogelijk, worden voorzien van relevant bewijs. Indien dat het geval is, moet door het Uwv worden onderzocht of en in hoeverre het oorspronkelijke besluit onjuist was. Indien de aanvraag waarbij is verzocht om herziening voor de toekomst uiterlijk in de bezwaarfase toereikend is gemotiveerd, kunnen (ook) in beroep en hoger beroep voor zodanige motivering nadere bewijsstukken worden aangedragen.

5.4.

Bij de aanvraag van 14 augustus 2012 is een verslag van een onderzoek van psycholoog K. Gomarus van 21 juni 2012 gevoegd. In bezwaar heeft appellante een re-integratieverslag van Arbo Unie B.V. van 12 oktober 2012 overgelegd, alsmede een brief van 3 april 2007 van arts E. Hiemstra en psychiater I.E.M.G. Willems, een brief van 18 december 2012 van huisarts J.H. van den Akker en een verslag van een intake op 26 maart 2007 voor

sociaal-psychiatrische hulpverlening. Daarmee is de aanvraag deugdelijk en toereikend onderbouwd en voorzien van relevant bewijs, zodat het Uwv dient te onderzoeken of het oorspronkelijke besluit van 15 november 2007, waarbij [in] 2005 een Wajong-uitkering is geweigerd, onjuist was.

5.5.

In de in hoger beroep overgelegde FML van 17 december 2013, die geldig is met ingang van [datum] 2004, zijn diverse beperkingen opgenomen in rubriek 1.9, Specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in de arbeid, waaronder item 1.9.3, het aangewezen zijn op werk dat onder rechtstreeks toezicht (veelvuldige feedback) en/of onder intensieve begeleiding wordt uitgevoerd. Daarbij is als toelichting vermeld: Betrokkene heeft regelmatig/vaak bevestiging nodig van/over waar zij mee bezig is. Dit is een aanscherping van de FML van 5 oktober 2007 die ten grondslag lag aan het besluit van 15 november 2007. Ook is de FML aangescherpt op de items 1.9.2 (vaste, bekende werkwijzen), 1.9.4 (niet worden afgeleid door activiteiten van anderen), 1.9.10 (taak voor taak kunnen doen), 2.7 (eigen gevoelens uiten), 2.8 (omgaan met conflicten), 2.12.1 (weinig of geen contact met klanten) en 2.12.2 (weinig of geen contact met patiënten).

5.6.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 18 december 2013 naar aanleiding van de aangepaste FML vastgesteld dat appellante geschikt is voor de volgende functies die [in] 2005 actueel zijn: productiemedewerker industrie (samenstellen van producten, sbc-code 111180), wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (sbc-code 267050), elektronicamonteur (nieuwbouw en onderhoud) (sbc-code 267040) en samensteller kunststof- en rubberindustrie (sbc-code 271130). Hij heeft bij item 1.9.3 de volgende categorale toelichting gegeven: in alle functies wordt onder leiding van een chef/meewerkende voorman gewerkt die dagelijks in de onmiddellijke nabijheid van de medewerkers is. Deze leidinggevende is daardoor in staat om cliënte geregeld feedback over haar functioneren te geven. Cliënte is in staat eenvoudige handelingen zelf uit te voeren, zodat zij in het geselecteerde werk ook op dit aspect normaal kan functioneren.

5.7.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep is in haar rapport van 17 december 2013 teruggekomen van de eerder vastgestelde belastbaarheid van appellante vanaf haar

17e verjaardag en heeft in de FML beperkingen opgenomen die vanaf die datum ongewijzigd zijn gebleven, inclusief de in 5.5 genoemde extra beperkingen. Daarmee staat vast dat het Uwv thans uitgaat van een ander, ernstiger beeld van de beperkingen van appellante dan waarvan bij de eerdere beoordelingen werd uitgegaan. In het rapport van 17 december 2013 wordt echter niet ingegaan op de door appellante bij de aanvraag ingediende stukken (genoemd in 5.4) en ontbreekt een motivering van de omvang van de thans alsnog aangenomen beperkingen. Daarvoor bestaat wel aanleiding, nu uit de stukken een beeld naar voren komt van een combinatie van psychische beperkingen die heeft geleid tot voortdurende problemen van appellante in relaties met anderen, op school en in werk. De Raad is er niet van overtuigd dat naast de nu in de FML opgenomen beperkingen niet nog andere beperkingen moeten worden opgenomen, bijvoorbeeld op het gebied van het vasthouden en verdelen van de aandacht, doelmatig en zelfstandig handelen. Zo maakt psycholoog Gomarus melding van forse concentratieklachten, onoplettendheid, vergeetachtigheid en impulsiviteit, alsmede van problemen in de planning, volgehouden aandacht en korte termijn geheugen. Voorts is uit het door hem verrichte intelligentieonderzoek gebleken dat sprake is van een moeilijk lerend, zwakbegaafd niveau van functioneren. De huisarts vermeldt dat appellante in de jaren 2005 tot en met 2011 56 keer op het spreekuur is geweest en dat er zeer dikwijls aanwijzingen waren dat zij door haar psychische klachten haar taken niet aankon en het hierdoor met name in stages of baantjes al heel snel niet goed ging, waaronder ook het werk in WSW-verband waarvoor appellante in 2008 een indicatie had gekregen.

5.8.

De Raad acht voorts in het licht van de in 5.4 aangedragen informatie een nadere motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep noodzakelijk van de begeleidingsbehoefte van appellante, in het bijzonder van de toelichting bij item 1.9.3 van de FML dat appellante regelmatig/vaak bevestiging nodig heeft van/over waar zij mee bezig is. Daarbij dient de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep te worden geraadpleegd en nader te motiveren of de in de geduide functies genoemde functionarissen (groepsleider, meewerkend voorman, afdelingschef) voldoende zijn toegerust om de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde begeleiding te kunnen bieden.

5.9.

Gelet op het vorenstaande berust het bestreden besluit niet op een toereikende medische en arbeidskundige motivering.

5.10.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv op te dragen de in 5.7 en 5.8 gesignaleerde gebreken te herstellen met inachtneming van deze uitspraak.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak de gebreken in het besluit van 7 februari 2013 te herstellen met inachtneming van deze uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en E. Dijt en P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2016.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) L.H.J. Haarlem

MK