Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4329

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-2016
Datum publicatie
15-11-2016
Zaaknummer
15/6187 AW-W
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Mededeling over machtiging, rechter zijn geweest in de rechtbank Den Haag en uitspraak door vice-president in die rechtbank, vormen geen zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid rechter. Aan stellen van meer kritische vragen aan appellante dan aan het college, niet de conclusie verbinden dat rechter partijdig is. Dit geldt ook voor de vraag naar belang verzoekster en wat zij met hoger beroep wil bereiken. Afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/6187 AW-W

Datum uitspraak: 24 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door

[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 juli 2015, 15/3304 (ECLI:NL:RBDHA:2015:8857), in het geding tussen verzoekster en het college van burgemeester en wethouders van Katwijk (college).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2016 door een meervoudige kamer bestaande uit mr. drs. M.T. Boerlage, mr. J.N.A. Bootsma en mr. M. Kraefft.

Op 8 september 2016 heeft verzoekster verzocht om wraking van de behandelend rechters
mr. drs. Boerlage en mr. Bootsma. Het verzoek is nadien nog enkele malen nader onderbouwd en toegelicht.

De behandelend rechters mr. drs. Boerlage en mr. Bootsma hebben schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek en meegedeeld niet in het wrakingsverzoek te berusten.

Verzoekster en de behandelend rechters mr. drs. Boerlage en mr. Bootsma zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 24 oktober 2016. Verzoekster en
mr. drs. Boerlage zijn in persoon verschenen. Mr. Bootsma is, zoals aangekondigd, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de ratio van het instituut van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.

2.1.

Aan het verzoek om wraking, zoals nader toegelicht ter zitting van de wrakingskamer, heeft verzoekster in essentie het volgende ten grondslag gelegd.

2.1.1.

Behandelend rechter mr. drs. Boerlage heeft bij verzoekster de indruk gewekt haar niet serieus te nemen op de door haar ter zitting gestelde vraag over de bevoegdheid van de vertegenwoordigers van het college. Door de reactie van mr. drs. Boerlage twijfelt verzoekster aan haar onpartijdigheid. Verder is mr. drs. Boerlage rechter geweest in de rechtbank Den Haag. De rechter die de in hoger beroep de bestreden uitspraak heeft gedaan was in die periode vice-president van de rechtbank Den Haag. Ook dit wekt volgens verzoekster de schijn dat mr. drs. Boerlage niet onpartijdig en onafhankelijk is.

2.1.2.

Behandelend rechter mr. Bootsma heeft ter zitting volgens verzoekster “rechteronwaardig” gehandeld door te vragen wat zij met het hoger beroep wil bereiken en wat het belang van verzoekster is. Daarmee heeft zij volgens verzoekster de indruk gewekt zich niet bewust te zijn van de functie van het rechtsmiddel hoger beroep en de taak die de rechter daarbij vervult. Verzoekster vindt dat niet professioneel. De niet onpartijdigheid van mr. Bootsma blijkt volgens verzoekster verder uit de tijdens het onderzoek ter zitting door
mr. Bootsma gestelde vragen en de daarbij voorgehouden standpunten. Het had mr. Bootsma bovendien gesierd ook het college hierover te bevragen. Bij verzoekster is de indruk gewekt dat mr. Bootsma al voor de zitting een oordeel over de zaak en verzoekster had gevormd.

3.1.

Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).

3.2.

Ter zitting van 8 september 2016 is het college vertegenwoordigd door mr. J. van Zanten, advocaat, en ing. M.A. van den Berg. Behandelend rechter mr. drs. Boerlage heeft verzoekster ter zitting medegedeeld dat een advocaat geen machtiging hoeft over te leggen. Deze op artikel 8:24, tweede en derde lid, van de Awb gebaseerde mededeling vormt geen zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid. Dat geldt ook voor het enkele feit dat mr. drs. Boerlage rechter is geweest in de rechtbank Den Haag en de rechter die uitspraak heeft gedaan op het beroep van verzoekster in die periode vice-president was in die rechtbank.

3.3.

Het stellen van kritische vragen behoort tot de taak van de rechter (zie onder meer de uitspraak van 28 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1417). Aan het enkele feit dat behandelend rechter mr. Bootsma aan verzoekster meer (kritische) vragen heeft gesteld dan aan het college, kan, anders dan verzoekster meent, niet de conclusie worden verbonden dat mr. Bootsma partijdig is. Dat geldt ook voor de vraag naar het belang van verzoekster en wat zij met het hoger beroep wil bereiken. Uit de, door verzoekster ter zitting van de wrakingskamer nader toegelichte, gang van zaken en vraagstelling volgt niet dat mr. Bootsma vooringenomen zou zijn jegens verzoekster of dat verzoeksters angst dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

3.4.

Nu ook wat overigens is aangevoerd niet kan leiden tot toewijzing van het wrakingsverzoek, moet het verzoek worden afgewezen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en M. Hillen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2016.

(getekend) M. Greebe

(getekend) J.C. Borman

NW