Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4310

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2016
Datum publicatie
15-11-2016
Zaaknummer
15/3408 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is voldoende zorgvuldig en volledig geweest en uit de onderzoeksbevindingen zijn voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel te komen over de voor appellante geldende beperkingen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van afdoende toegelicht dat, gelet op de door de verzekeringsarts noodzakelijk geachte intensiteit van de begeleiding, waarbij appellante in staat wordt geacht om eenvoudige handelingen uit te voeren en zij bij veranderingen van werkzaamheden meer hulp of instructie nodig heeft, de functies, die weinig verandering kennen in de uitvoering, passend zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3408 WWAJ

Datum uitspraak: 11 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
2 april 2015, 14/4227 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J.C.M. Rouws, advocaat, hoger beroep ingesteld en een rapport van A.L. van Summeren, registerarbeidsdeskundige, van 1 juni 2015 aan de Raad gezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift, met daarbij gevoegd rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 27 juli 2015, ingediend.

Appellante heeft nadien nog een schrijven van Van Summeren van 13 september 2016 aan de Raad gestuurd. In reactie hierop heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 september 2016 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 26 september 2016 aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Rouws. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren op [geboortedatum] 1996, heeft op 28 november 2013 heeft een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Het Uwv heeft op basis hiervan bij besluit van 18 juni 2014 de aanvraag afgewezen op de grond dat, rekening houdend met de beperkingen van appellante, zij in staat wordt geacht ten minste 75% van het maatmaninkomen te verdienen. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is, onder verwijzing naar het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 oktober 2014 en het rapport van een arbeidskundige bezwaar en beroep van 27 oktober 2014, bij besluit van 6 november 2014 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is om het door de verzekeringsartsen verrichte medisch onderzoek onzorgvuldig te achten en dat bij het vaststellen van de belastbaarheid voldoende rekening is gehouden met de op ziekte of gebrek terug te voeren beperkingen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit op een deugdelijke arbeidskundige grondslag berust, dat afdoende is toegelicht dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellante en dat in deze functies wordt voldaan aan de begeleidingsbehoefte van appellante.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar beperkingen door het Uwv zijn onderschat. Daartoe heeft zij het volgende naar voren gebracht. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is onzorgvuldig omdat niet duidelijk is waaruit het psychologisch onderzoek van de verzekeringsarts heeft bestaan. Daarom kan dat onderzoek niet als basis dienen voor het vaststellen van beperkingen op psychisch vlak. Appellante stelt dat de beperkingen die in het door haar tijdens de bezwaarprocedure overgelegde rapport van 29 september 2014 van de register-psycholoog drs. S.L.C. Leeuwenburgh zijn genoemd, hadden moeten worden overgenomen of aanleiding hadden moeten geven om een nader onderzoek te laten verrichten. Appellante stelt dat uit het rapport van Leeuwenburgh blijkt dat er sprake is van een grotere begeleidingsbehoefte en een sterker verlaagd werktempo dan in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is opgenomen. Tenslotte heeft appellante voor de arbeidskundige gronden van het hoger beroep gewezen op het rapport van registerarbeidskundige Van Summeren van 1 juni 2015 waarin is vermeld dat appellante, gelet op de begeleidingsbehoefte slechts in een beschermde werkomgeving kan functioneren en dat omdat appellante ten aanzien van conflicthantering sterk beperkt wordt geacht, er ook voor samenwerken een beperking moet worden opgenomen in de FML. Bij samenwerken zullen immers altijd conflicten ontstaan.

3.2.

Het Uwv heeft de Raad, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig is geweest en dat uit de onderzoeksbevindingen voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel te komen over de voor appellante geldende beperkingen. De verzekeringsarts heeft appellante op het spreekuur gezien en heeft op basis van de onderzoeksbevindingen en informatie van Bureau Jeugdzorg vastgesteld dat er geen duidelijke aanwijzingen zijn voor een psychische stoornis. Er zou op basis van de resultaten van een intelligentietest uit 2011 gedacht kunnen worden aan een verstandelijke beperking, maar het niveau van functioneren van appellante wijst niet in die richting. Het beperkte maatschappelijk functioneren wordt mogelijk grotendeels door

niet-medische zaken, zoals gedrag, motivatie, werkloosheid en beperkte begeleiding vanuit de sociale omgeving, bepaald. De verzekeringsarts heeft vervolgens beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren opgenomen in een FML van 27 mei 2014. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft kennis genomen van het in bezwaar door appellante overgelegde rapport van psycholoog Leeuwenburgh. De visie van Leeuwenburgh dat werkzaamheden en opleiding op dit moment niet haalbaar zijn, deelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet. Terecht is in het kader van de beoordeling voor de Wajong van belang geacht dat appellante niet voldoet aan één van de categorieën van de Standaard Geen Duurzaam Benutbare Mogelijkheden en dat in de FML rekening is gehouden met de aandachtspunten die Leeuwenburgh heeft genoemd.

4.2.

Het standpunt van de arbeidsdeskundige Van Summeren dat uit het feit dat appellante in de FML sterk beperkt wordt geacht voor het hanteren van conflicten volgt dat er ook een beperking voor samenwerken aan de orde is, leidt niet tot een noodzaak tot aanpassing van de FML. Terecht heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 27 juli 2015 vastgesteld dat voor de stelling dat zich bij samenwerken altijd conflicten zullen voordoen geen onderbouwing is gegeven. De beoordelingspunten 2.8 (omgaan met conflicten) en 2.9 (samenwerken) hebben in de Basisinformatie CBBS geen relatie met elkaar, zodat niet gezegd kan worden dat een beperking op het ene punt automatisch aanleiding geeft tot een beperking op het andere punt.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat er geen aanleiding is om de vastgestelde beperkingen voor onjuist te houden of over te gaan tot het benoemen van een deskundige.

4.4.

De verzekeringsarts heeft, omdat het aanleren van nieuwe vaardigheden bij appellante meer tijd kost en zij moeite heeft om hulp te vragen, de begeleidingsbehoefte op item 1.9.3 van de FML vastgesteld op niveau 3. Met dit niveau van begeleidingsbehoefte is appellante aangewezen op werk dat onder rechtstreeks toezicht (veelvuldige feedback) en/of onder intensieve begeleiding wordt uitgevoerd. De arbeidsdeskundige Van Summeren heeft zich op het standpunt gesteld dat de vastgestelde begeleidingsbehoefte inhoudt dat er altijd iemand op de werkvloer aanwezig moet zijn om feedback te geven op de door appellante uitgevoerde werkzaamheden en dat een dergelijke coaching in het vrije bedrijf niet te organiseren is. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 27 juli 2015 afdoende toegelicht dat, gelet op de door de verzekeringsarts noodzakelijk geachte intensiteit van de begeleiding, waarbij appellante in staat wordt geacht om eenvoudige handelingen uit te voeren en zij bij veranderingen van werkzaamheden meer hulp of instructie nodig heeft, de functies, die weinig verandering kennen in de uitvoering, passend zijn. De vorm van begeleiding die volgens de FML nodig is mag van de werkgever verwacht worden. In het rapport van 26 september 2016 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nogmaals toegelicht dat het in de aan appellante voorgehouden functies steeds gaat om volgens instructie en/of protocol uit te voeren eenvoudige repeterende handelingen waarmee appellante niet wordt overvraagd.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door L. Koper, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2016.

(getekend) L. Koper

(getekend) J.C. Borman

IvR