Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4304

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2016
Datum publicatie
15-11-2016
Zaaknummer
14/5670 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:6220, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Er zijn geen omstandigheden die aanleiding geven het rapport van de door de Raad geraadpleegde deskundige niet te volgen. Geschiktheid voor geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-1144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5670 WAO

Datum uitspraak: 11 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 augustus 2014, 14/2250 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Os. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

Het onderzoek is heropend na de zitting, waarna de Raad dr. E.N.H. van den Doel, neuroloog, als deskundige heeft benoemd.

De door de Raad benoemde deskundige heeft op 6 september 2016 een rapport uitgebracht.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is in 1990 arbeidsongeschikt geworden voor haar werk als productiemedewerker, die sedert 1984 gedurende 38 uur per week loonvormende arbeid verrichtte, als gevolg van ernstige hoofdpijnklachten. Aan haar is met ingang van

3 september 1991 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 1993, 1999 en 2005 is de arbeidsongeschiktheid onveranderd vastgesteld op 80 tot 100%. De beslissing tot toekenning van een

WAO-uitkering was gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig rapport van 27 juni 1991. In dat rapport staat vermeld dat de in 1990 geraadpleegde neuroloog de ziekte van Horton als mogelijke diagnose heeft genoemd, terwijl bij onderzoek geen afwijkingen waren gevonden. De hoofdpijnklachten traden volgens de verklaring van appellante soms drie keer per dag en ’s nachts op. Tevens lag aan de toekenning een rapport van psychiater A.A. van Loon van 18 juni 1991 ten grondslag. Deze arts adviseerde appellante na een half jaar hersteld te verklaren voor stress-arme werkzaamheden; daarbij merkte hij op dat de klachten in het verleden nooit veel verzuim hadden veroorzaakt. Na 1990 heeft appellante geen neuroloog meer geraadpleegd voor haar hoofdpijnklachten. Een besluit tot intrekking van de aan haar toegekende uitkering per 29 juni 1993 werd door de rechtbank Breda vernietigd bij uitspraak van 25 april 1995. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat uit het verslag van de door haar geraadpleegde deskundige M.A.M. Bomhof, neuroloog, blijkt dat appellante wel in staat was om werkzaamheden te verrichten, maar dat zij één tot tweemaal daags een hoofdpijnaanval had. Gelet op die aanvallen kon naar het oordeel van de rechtbank van een werkgever redelijkerwijs niet worden gevergd appellante in dienst te nemen, zodat geen reële arbeidsmogelijkheden voor haar bestonden. Bij een heronderzoek op 17 maart 1999 verklaarde appellante dat zij gemiddeld vijf à zes aanvallen per dag had, terwijl zij bij een dergelijk onderzoek op 18 mei 2005 verklaarde gemiddeld nog drie aanvallen per dag te hebben.

1.2.

In het kader van de herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid heeft in oktober 2012 een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. Nadat informatie was ontvangen van de longarts en de huisarts heeft de verzekeringsarts op 15 april 2013 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Daarin zijn beperkingen aangegeven in de rubrieken persoonlijk functioneren en sociaal functioneren, aanpassing van de fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen mede ter preventie van overbelasting bij haar longaandoening en hoofdpijn. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen van appellante een aantal functies geselecteerd waarmee het verlies aan verdiencapaciteit is vastgesteld op minder dan 15%. Zij is daarbij onder andere geschikt geacht voor functies van magazijnmedewerker, operator voedingsmiddelen industrie en productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 24 september 2013 vastgesteld dat appellante vanaf 25 november 2013 geen

WAO-uitkering meer krijgt.

1.3.

In het kader van de heroverweging heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 27 februari 2014 geconcludeerd dat de longklachten en de hoofdpijnklachten bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling zijn meegewogen en dat daarvoor voldoende beperkingen in de FML zijn opgenomen. Bij beslissing op bezwaar van 4 maart 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat op grond van de beschikbare gegevens moet worden aangenomen dat bij appellante niet te geringe medische beperkingen zijn vastgesteld. De verzekeringsartsen waren op de hoogte van de hoofdpijnklachten en longklachten en hebben hiermee rekening gehouden in de FML. Er zijn geen aanknopingspunten op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat appellante ten tijde in geding meer beperkt was. De rechtbank is niet gebleken dat de belasting van de aan appellante voorgehouden functies haar mogelijkheden overschrijdt, zodat deze functies terecht aan de schatting ten grondslag zijn gelegd.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar beperkingen door het Uwv onderschat zijn. Met name haar hoofdpijnklachten zijn ernstiger dan in het dossier staat beschreven. Medici hebben al eerder vastgesteld dat deze klachten niet te behandelen zijn en dat appellante er mee moet leren leven. Appellante heeft er op gewezen dat in het verleden steeds is vastgesteld dat zij niet tot werken in staat was, in het bijzonder vanwege haar wisselende belastbaarheid. In deze belastbaarheid is niets gewijzigd.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van

25 november 2013.

4.2.

Op verzoek van de Raad heeft de deskundige dr. Van den Doel een onderzoek ingesteld en gerapporteerd over de gezondheidstoestand van appellante. De deskundige heeft kennisgenomen van de beschikbare medische informatie en heeft appellante onderzocht. In zijn uitvoerige rapport heeft hij beschreven dat er bij appellante sprake is hoofdpijnklachten waarvan de aard, frequentie en hevigheid – ook per 25 november 2013 – niet met betrouwbaarheid is vast te stellen. Deze hoofdpijnklachten lijken in het migrainespectrum te vallen. De deskundige heeft te kennen gegeven dat er op neurologische gronden geen aanleiding is om beperkingen op te leggen.

4.3.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Er zijn geen omstandigheden die aanleiding geven het rapport niet te volgen. Appellante heeft tegen dit rapport geen bezwaren aangevoerd. De medische grondslag van het bestreden besluit moet dan ook worden onderschreven.

4.4.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 15 april 2013 wordt met de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde voorbeeldfuncties de belastbaarheid van appellante niet overschreden.

5. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 wordt overwogen treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2016.

(getekend) H. van Leeuwen

(getekend) P. Boer

NK