Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4268

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-11-2016
Datum publicatie
10-11-2016
Zaaknummer
15/5179 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Studiefinanciering terecht herzien in die zin dat appellante is aangemerkt als thuiswonende studerende. Niet woonachtig op brp-adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5179 WSF

Datum uitspraak: 9 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
17 juni 2015, 14/3714 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J. Achterveld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2016. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Achterveld. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1. De minister heeft, voor zover hier van belang, met ingang van juli 2013 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aan appellante toegekend die is berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Deze toekenning is voor de periode januari 2014 tot en met juli 2014 voortgezet. Appellante stond van 2 mei 2013 tot

20 januari 2014 ingeschreven in de basisregistratie personen (brp) onder het adres [adres] .

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van 17 juli 2014 (bestreden besluit) waarbij de minister, beslissend op bezwaar, zijn besluit van 5 april 2014 heeft gehandhaafd. Bij dat besluit heeft de minister de per 1 juli 2013 aan appellante toegekende studiefinanciering herzien in die zin dat appellante vanaf die datum is aangemerkt als thuiswonende studerende. Het aan appellante over de periode van juli 2013 tot en met januari 2014 te veel betaalde bedrag van € 1.288,21 is daarbij van haar teruggevorderd. Aan het bestreden besluit heeft de minister ten grondslag gelegd een rapport van 31 januari 2014 van een huisbezoek verricht op het brp-adres van appellante. Tijdens dat huisbezoek is – onder meer – een verklaring van de hoofdbewoner van het brp-adres opgenomen. Op basis van dat rapport heeft de minister het standpunt ingenomen dat appellante op het moment van het huisbezoek niet op het brp-adres woonde.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het rapport van 31 januari 2014 geen voldoende feitelijke grondslag biedt voor het standpunt van de minister dat appellante op het moment van het huisbezoek niet op het brp-adres woonde. Appellante zat op het moment van het huisbezoek midden in een verhuizing. Daardoor is klaarblijkelijk een onjuist beeld ontstaan ter zake van haar feitelijke woon- en leefsituatie. Voorts heeft appellante aangevoerd dat zij wel degelijk heeft bewezen dat zij van 1 juli 2013 tot 20 januari 2014 op het brp-adres heeft gewoond. Hierbij heeft appellante gewezen op de door haar in bezwaar en in beroep overgelegde bewijsstukken en heeft zij overgelegd een nadere verklaring van de hoofdbewoner van het brp-adres alsmede enkele andere stukken.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het rapport van 31 januari 2014 een voldoende feitelijke grondslag biedt voor het standpunt van de minister dat appellante op het moment van het huisbezoek niet op het brp-adres woonde. Voorts heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat appellante niet onomstotelijk heeft bewezen dat zij in de periode vóór het huisbezoek wel op het brp-adres woonde. Hierbij wordt erop gewezen dat de hoofdbewoner, blijkens zijn bij het rapport gevoegde verklaring, tegenover de controleurs heeft verklaard dat appellante in de drie maanden voor het huisbezoek slechts twee à drie keer per week op het brp-adres overnachtte en in de periode daarvoor eigenlijk nooit op dat adres overnachtte. Hieruit volgt dat appellante nooit haar hoofdverblijf op het brp-adres heeft gehad. Appellante heeft geen argumenten aangevoerd en/of stukken overgelegd die aan de juistheid van de verklaring van de hoofdbewoner doen twijfelen. Ook de nadere verklaringen van de hoofdbewoner die zij gedurende de procedure heeft overgelegd, bieden haar geen soelaas. Nog daargelaten dat volgens vaste rechtspraak in beginsel mag worden uitgegaan van de juiste weergave van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring en een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis heeft, is de hoofdbewoner in zijn nadere verklaringen niet teruggekomen van zijn eerdere verklaring voor wat betreft de frequentie van de overnachtingen van appellante op het brp-adres.

4.2.

Uit hetgeen is overwogen in 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2016.

(getekend) J. Brand

(getekend) J.C. Borman

NK