Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4263

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-11-2016
Datum publicatie
10-11-2016
Zaaknummer
13/1409 WW-S
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Intrekking hoger beroep. Proceskostenveroordeling in de kosten beroep en hoger beroep. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-1110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 9 november 2016

13/1409 WW-S

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a, 8:88 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van

6 februari 2013, 12/938 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om schadevergoeding

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.C. Neering hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft op 31 maart 2016 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Bij brief van 7 juni 2016 heeft mr. M. Koolhoven namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten en schade ten gevolge van het overschrijden van de redelijke termijn.

Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

2. Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 31 maart 2016 geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.

3.1.

De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 992,- in beroep en € 1.736,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

3.2.

Voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten bestaat geen grond omdat niet gebleken is dat appellant tijdig een daartoe strekkend verzoek heeft gedaan, zoals bepaald in artikel 7:15, derde lid, van de Awb.

4.1.

Voor de wijze van beoordeling van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Van dergelijke omstandigheden is in het voorliggende geval niet gebleken.

4.2.

De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM vangt aan op het moment dat er - op zijn minst - een standpunt van het bestuursorgaan ligt, waarvan duidelijk is dat de betrokkene dit wil aanvechten (CRvB 4 november 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU5643). Doorgaans is dit op het moment waarop een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit of het uitblijven daarvan. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).

4.3.

Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op

15 december 2011 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en bijna elf maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv drie en een halve maand geduurd. Vanaf de ontvangst door de rechtbank op 10 mei 2012 van het beroepschrift van appellant heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank negen maanden geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst door de Raad op 20 maart 2013 van het hogerberoepschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak drie jaar en bijna acht maanden geduurd. Nu de totale behandelingsduur vier jaar mocht bedragen, is deze thans met elf maanden overschreden. In de omstandigheden van het geval is geen aanleiding om deze overschrijding geheel of ten dele gerechtvaardigd te achten. Dit leidt tot een schadevergoeding van twee maal € 500,-, dit is € 1.000,-.

4.4.

Het onder 4.1 tot en met 4.4 overwogene leidt tot het oordeel dat de Staat dient te worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan betrokkene ten bedrage van € 1.000,-.

Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- veroordeelt Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.728,-;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan
betrokkene van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van N. Talhaoui als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2016.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) N. Talhaoui

IJ