Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4258

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2016
Datum publicatie
14-11-2016
Zaaknummer
16/987 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:8424, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingetrokken boetebesluit. Geen belang bij oordeel door de Raad. Veroordeling proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/987 WWB

Datum uitspraak: 8 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 december 2015, 15/2329 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.R. Kellerman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 9 maart 2016 heeft het dagelijks bestuur meegedeeld dat aanleiding bestaat het besluit tot opleggen van een boete alsnog in te trekken.

Appellante heeft op deze mededeling gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 16 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 september 2014, heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2014 ingetrokken en de over de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 maart 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.702,31 van appellante teruggevorderd. Het tegen het besluit van 11 september 2014 ingestelde beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van

16 maart 2015, nr. 14/6360, ECLI:NL:RBZWB:2015:2020, ongegrond verklaard.

1.2.

Bij besluit van 9 oktober 2014 heeft het dagelijks bestuur met toepassing van artikel 18a van de Wet werk en bijstand (WWB) het besluit van 11 september 2014 appellante een boete opgelegd van € 2.702,-.

1.3.

Bij besluit van 3 maart 2015 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 9 oktober 2014 gedeeltelijk gegrond verklaard, het bedrag van de boete gematigd tot een bedrag van € 675,- en het verzoek tot vergoeding van de gemaakte kosten van bezwaar afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, en dat besluit vernietigd voor zover daarbij het verzoek om vergoeding voor de kosten van bewaar is afgewezen.

De rechtbank heeft het dagelijks bestuur veroordeeld in de proceskosten van appellante, waaronder de kosten van bezwaar, tot een bedrag van € 980,-.

3. Bij uitspraak van 23 februari 2016, 15/2699, ECLI:NL:CRVB:2016:577, voor zover hier van belang, heeft de Raad de in 1.2 genoemde uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep tegen het besluit van 11 september 2014 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd voor zover het betreft de intrekking over de periode van 1 januari 2014 tot en met 6 april 2014 en de terugvordering. De Raad heeft het besluit van 16 april 2014 in zoverre herroepen en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 11 september 2014.

4. Bij brief van 9 maart 2016 heeft het dagelijks bestuur meegedeeld dat als gevolg van de uitspraak van de in 3 genoemde uitspraak van de Raad niet langer kan worden gesproken van een benadelingsbedrag en dat zich (kennelijk) niet langer een situatie voordoet als bedoeld in artikel 18a van de Participatiewet (lees: WWB). Hierin heeft het college aanleiding gezien het besluit tot het opleggen van een boete alsnog in te trekken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het dagelijks bestuur is met de mededeling dat het besluit tot het opleggen van een boete alsnog wordt ingetrokken, volledig tegemoet gekomen aan het hoger beroep van appellante. De rechtbank heeft het dagelijks bestuur al veroordeeld in de kosten van bezwaar en appellante heeft geen verzoek om schadevergoeding ingediend. Hieruit vloeit voort dat appellante geen belang meer heeft bij een oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

6. Nu het dagelijks bestuur appellante in hoger beroep tegemoet is gekomen, bestaat aanleiding het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 496,- voor verleende rechtsbijstand voor de indiening van het hogerberoepschrift.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 496,-.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut in tegenwoordigheid van P.A.M. Hulsdouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2016.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) P.A.M. Hulsdouw

HD