Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4250

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2016
Datum publicatie
14-11-2016
Zaaknummer
14/5303 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Verzwegen gezamenlijke huishouding. Dubbel hoger beroep. Voldoende grondslag hoofdverblijf. Grond dat tolk ten onrechte ontbrak slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5303 WWB, 14/5304 WWB, 14/5305 WWB, 14/5610 WWB, 14/5611 WWB

Datum uitspraak: 8 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

28 augustus 2014, 14/900, 14/901 en 14/1112 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Betrokkene 1] te [woonplaats 1] (betrokkene 1)

[Betrokkene 2] te [woonplaats 2] (betrokkene 2)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene 1 heeft mr. J.E. van Rossem, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Namens betrokkene 2 heeft mr. R.G. Funcke, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Namens betrokkene 1 heeft mr. Van Rossem, advocaat, hoger beroep ingesteld, verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 27 september 2016. Betrokkene 1 is verschenen, bijgestaan door mr. Van Rossem. Betrokkene 2 is verschenen, bijgestaan door mr. Funcke. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. J.M. Boegborn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene 1 ontving van 29 maart 2004 tot en met 29 augustus 2010 en vanaf

28 september 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Volgens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans Basisregistratie personen, staat betrokkene 1 sinds 23 januari 2006 ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats 1] ( [adres 1] ). Betrokkene 2 stond van 22 september 2005 tot en met 16 april 2012 ingeschreven op het adres [adres 2] te [woonplaats 1] ( [adres 2] ) en met ingang van 17 april 2012 staat zij ingeschreven op het adres [adres 3] te [woonplaats 2] ( [adres 3] ).

1.2.

Naar aanleiding van een melding van 2 oktober 2012 dat met een voertuig met

kenteken [kenteken 1] 40 grote zakken rijst op het adres [adres 3] zijn binnengebracht en op dat adres tot diep in de nacht wordt gefeest, zijn waarnemingen op dat adres gestart. Tijdens de waarnemingen zijn voertuigen met kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2] op de parkeerplaats van het adres [adres 3] gezien. Omdat deze voertuigen op naam van betrokkene 1 waren gesteld, is een vooronderzoek en daarna een nader onderzoek ingesteld. In het kader van dit onderzoek is onder meer dossieronderzoek verricht, is de woning aan de [adres 3] doorzocht, zijn registers geraadpleegd, zijn getuigen gehoord, zijn in oktober 2012 en maart 2013 waarnemingen verricht, zijn met toestemming van de officier van justitie van 2 april 2013 tot en met 22 mei 2013 stelselmatige observaties en zijn van 4 tot en met 8 april 2013 en van

15 tot en met 21 april 2013 observaties met een technisch hulpmiddel verricht en zijn betrokkene 1 op 11, 12 en 13 juni 2013 en betrokkene 2 op 11 en 12 juni 2013 verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een frauderapport van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam van 27 juni 2013.

1.3.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 20 juni 2013 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 januari 2014 (bestreden besluit 1), de bijstand van betrokkene 1 ingetrokken met ingang van 11 juni 2013. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat betrokkene 1 zijn hoofdverblijf heeft aan de [adres 3] , met betrokkene 2 een gezamenlijke huishouding voert en dat betrokkene 1 daarvan geen melding heeft gemaakt.

1.4.

Bij besluit van 22 juli 2013 (besluit 2), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 januari 2014 (bestreden besluit 2), heeft het college de bijstand van betrokkene 1 over de periode van 1 juni 2008 tot en met 11 (lees: 10) juni 2013 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 65.829,23 van hem teruggevorderd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat met ingang van 1 juni 2008 betrokkene 1 met betrokkene 2 een gezamenlijke huishouding voert en dat betrokkene 1 daarvan geen melding heeft gemaakt.

1.5.

Bij besluit van 22 juli 2013 (besluit 3), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 januari 2014 (bestreden besluit 3), heeft het college de aan betrokkene 1 over de periode van 1 juni 2008 tot en met 16 april 2012 ten onrechte verleende bijstand tot een bedrag van € 51.038,04 mede teruggevorderd van betrokkene 2 vanwege de gevoerde gezamenlijke huishouding aan de [adres 2] .

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3 gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten 1 en 2 in stand blijven voor zover die betrekking hebben op de intrekking en terugvordering van de bijstand van betrokkene 1 in de periode van 17 april 2012 tot en met 20 juni 2013 (periode 2) en het college opgedragen nieuwe besluiten te nemen op de bezwaarschriften tegen de primaire besluiten 2 (lees: voor zover betrekking hebbend op de periode van 1 juni 2008 tot en met 16 april 2012) en 3. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat de bestreden besluiten een motiveringsgebrek hebben, dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene 1 gedurende de periode van 1 juni 2008 tot en met 16 april 2012 (periode 1) zijn hoofdverblijf heeft gehad aan de [adres 2] en dat daarom geen sprake was van een gezamenlijke huishouding. Ten aanzien van periode 2 heeft de rechtbank overwogen dat aan de bestreden besluiten een motiveringsgebrek kleeft, maar dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene 1 zijn hoofdverblijf had aan de [adres 3] .

3.1.

Het college heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover deze betrekking heeft op periode 1, en aangevoerd dat uit de verklaringen van betrokkenen, met als ondersteunend bewijs de getuigenverklaringen, valt af te leiden dat betrokkene 1 hoofdverblijf had aan de [adres 2] .

3.2.

Betrokkene 1 heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover deze periode 2 betreft, en aangevoerd dat het verhoor van betrokkene 2 ten onrechte zonder tolk in de taal Twi heeft plaatsgevonden, terwijl de aanwezige verbalisanten zelf hebben geobserveerd dat er een probleem was met de vertaling, dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de grond gericht tegen de stelselmatige observaties, dat ondanks uitdrukkelijke verzoeken om eerdere onderzoeken ten aanzien betrokkene 1 aan het dossier toe te voegen deze verzoeken ten onrechte door de rechtbank zijn afgewezen en dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat betrokkene 1 zijn hoofdverblijf aan de [adres 3] had.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In deze zaak bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 1 juni 2008 tot en met 20 juni 2013.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

Periode 1

4.3.1.

Hetgeen betrokkene 1 in hoger beroep ten aanzien van periode 2 heeft aangevoerd ten aanzien van het ontbreken van aanwezigheid van een tolk in de taal Twi, hebben betrokkenen ook naar voren gebracht als verweer ten aanzien van periode 1.

4.3.2.

Bij de aanvang van het eerste verhoor op 11 juni 2013 heeft betrokkene 2 het volgende verklaard, waarbij V voor vraag staat en A voor antwoord:

“V: Bent u de Nederlandse taal voldoende machtig?

A: Ik spreek en versta Nederlands. Zodra ik iets niet begrijp dan zal ik dat zeggen. Sommige woorden moet u even in het Engels vertalen.

(…)

V: Mocht u alsnog een tolk willen dan kunt u dat op ieder moment van het verhoor aangeven.

A: Dat is goed.”

En voorts aan het einde van het verhoor:

“V: Wilt u morgen een tolk Twi bij het verhoor?

A: Nee. Ik wil wel mijn advocaat bij het verhoor. Ik wil zelf een verklaring afleggen en niet via een tolk.”

4.3.3.

Uit het proces-verbaal van het eerste verhoor van betrokkene 2 blijkt dat bij haar is geïnformeerd of zij de bijstand van een tolk wenste. Zij heeft daar ontkennend op geantwoord. Op de zitting is, desgevraagd, namens betrokkene 1 aangegeven dat het aangevoerde dat de verbalisanten zelf onderkenden dat er een probleem met de vertaling was, berust op de vraag aan betrokkene 2 of zij prijs stelde op de aanwezigheid van een tolk Twi bij het volgende verhoor. Uit het stellen van die vraag volgt echter niet dat er een probleem was met de vertaling. Bovendien heeft betrokkene 2 uitdrukkelijk ontkennend geantwoord op die vraag. Het tweede en derde verhoor van betrokkene 2 hebben met bijstand van een tolk in de Engelse taal plaatsgevonden en betrokkene 2 heeft desgevraagd verklaard dat zij de tolk begreep en verstond. Er is geen reden om de inhoud van de verklaringen van betrokkene 2 buiten beschouwing te laten.

4.4.1.

Voorts heeft betrokkene 2 naar voren gebracht dat het onzorgvuldig was om het verhoor van haar voort te zetten, terwijl zij te kennen gaf dat zij haar advocaat bij het verhoor aanwezig wilde hebben.

4.4.2.

Het eerste verhoor van betrokkene 2 is aangevangen met de vraag of zij inmiddels met een advocaat heeft gesproken, waarop zij antwoordt dat zij zojuist met de advocaat heeft gesproken. Aan het einde van het verhoor zegt zij een advocaat bij het verhoor te willen,

zie 4.3.2. Het verhoor is vervolgens beëindigd en betrokkene 2 is in de gelegenheid gesteld om met haar advocaat te bellen. Tijdens het tweede en derde verhoor heeft betrokkene 2 niet verzocht om bijstand van haar advocaat.

4.4.3.

Omdat het eerste verhoor is beëindigd nadat betrokkene 2 had verzocht om de aanwezigheid van haar advocaat en zij daarna in de gelegenheid is gesteld om met haar advocaat te bellen, is er reeds daarom geen sprake van een onzorgvuldigheid als namens betrokkene 2 is betoogd.

4.5.

Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.6.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of betrokkene 1 in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf aan de [adres 2] heeft gehad.

4.7.1.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Betrokkenen stonden in de te beoordelen periode op afzonderlijke adressen ingeschreven. Dat gegeven staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning op één van die adressen. Zie het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:556.

4.7.2.

Betrokkene 1 heeft op 12 juni 2013 in het tweede verhoor verklaard dat hij sinds 2008 een relatie had met betrokkene 2 en hij vaak bij haar op de [adres 2] was, dat hij daar zo’n vier à vijf dagen was en daar dan ook bleef slapen. Later heeft betrokkene 1 in datzelfde verhoor op de vraag hoe vaak hij sliep op het adres [adres 2] geantwoord dat hij daar gemiddeld vijf dagen per week was en daar soms ook wel zeven nachten per week sliep.

4.7.3.

Betrokkene 2 heeft in het derde verhoor op 12 juni 2013 verklaard dat zij en

betrokkene 1 in 2008 een relatie kregen en dat sinds 2008 betrokkene 1 elke dag bij haar was. Later heeft zij in hetzelfde verhoor nogmaals verklaard dat betrokkene 1 sinds de verloving in 2008 bijna elke dag bij haar in [woonplaats 1] was.

4.7.4.

Betrokkene 2 heeft, desgevraagd, ter zitting verklaard dat de verloving met

betrokkene 1 in april 2008 heeft plaatsgevonden.

4.7.5.

Deze verklaringen van betrokkenen bieden in onderlinge samenhang bezien een toereikende grondslag voor de conclusie dat betrokkene 1 in periode 1 zijn hoofdverblijf had aan de [adres 2] .

4.7.6.

Uit 4.7.5 volgt dat het hoger beroep van het college slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd.

Periode 2

4.8.

Zoals ter zitting is besproken is niet in geschil dat voor deze periode bepalend is de vraag of betrokkene 1 hoofdverblijf had in [woonplaats 1] .

4.9.

Ten aanzien van het door betrokkene 1 aangevoerde over het ontbreken van de aanwezigheid van een tolk in de taal Twi bij het verhoor van betrokkene 2, verwijst de Raad naar 4.3.1 tot en met 4.3.3. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.10.1.

Betrokkene 2 heeft tijdens het eerste verhoor op 11 juni 2013 verklaard dat

betrokkene 1 de hele week en soms de hele maand bij haar is en dat die situatie bestaat sinds zij naar [woonplaats 2] is verhuisd.

4.10.2.

Betrokkene 1 heeft tijdens het tweede verhoor op 12 juni 2013 verklaard dat hij bijna elke dag bij betrokkene 2 aan de [adres 3] is.

4.10.3.

Deze verklaringen van betrokkenen bieden een toereikende grondslag voor de conclusie dat betrokkene 1 in periode 2 zijn hoofdverblijf buiten [woonplaats 1] had.

4.11.

De beroepsgrond dat ten onrechte eerdere onderzoeksgegevens ten aanzien van betrokkene 1 niet aan het dossier zijn toegevoegd slaagt niet. Het dossier bevat gegevens van twee onderzoeken uit 2011 en 2012, die beide betrekking hebben op het GBA-adres van betrokkene 1. Voor zover bedoeld is te betogen dat het gegeven dat die onderzoeken niet hebben geleid tot het intrekken van de bijstand van betrokkene 1 een relevante factor is bij de beoordeling in deze zaak wordt het volgende opgemerkt. Het feit dat in 2011 en 2012 onderzoeken niet hebben geleid tot het intrekken van bijstand betekent op zich niet dat zich geen onregelmatigheden hebben voorgedaan. Indien nader onderzoek wordt verricht en/of nieuwe feiten en omstandigheden zich voordoen kan dat leiden tot een andere vaststelling en waardering van feiten, die zich ook kan uitstrekken over een eerder onderzochte periode.

4.12.

De beroepsgrond over de stelselmatige observaties behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking.

Conclusie

5.1.

Het hoger beroep van het college slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover die uitspraak ziet op periode 1. De rechtbank heeft de beroepen ten aanzien van periode 1 terecht gegrond verklaard omdat in de bestreden besluiten niet gemotiveerd is gereageerd op het bezwaar. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat betrokkene 1 hoofdverblijf had aan de [adres 2] , zodat er aanleiding is ten aanzien van periode 1 de rechtsgevolgen in stand te laten.

5.2.

Omdat het beroep van betrokkene 1 niet slaagt zal het verzoek om veroordeling van het college tot schadevergoeding worden afgewezen.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het college is opgedragen nieuwe besluiten te

nemen op de bezwaarschriften tegen de primaire besluiten 2 en 3 en bepaalt dat de

rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 27 januari 2014 (bestreden besluit 2), voor

zover het betreft de periode van 1 juni 2008 tot en met 16 april 2012, en van het vernietigde

besluit van 27 januari 2014 (bestreden besluit 3), in stand blijven;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en H.C.P. Venema en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2016.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J.L. Meijer

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD