Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4247

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2016
Datum publicatie
14-11-2016
Zaaknummer
14/2569 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Appellant heeft achterwege gelaten duidelijkheid te verstrekken over de wijze waarop hij in levensonderhoud heeft voorzien. Recht op bijstand is niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2569 WWB, 14/2570 WWB

Datum uitspraak: 8 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

26 maart 2014, 13/1722, 13/2931 en 13/2446 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.H.J.M. van Heugten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2016. Namens appellant is verschenen mr. Van Heugten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Y.J.P. Pozun.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving met ingang van 19 september 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

De afdeling Sociale Recherche heeft op 15 augustus 2012 vastgesteld dat op naam van appellant een bestelbus is gehuurd. Gelet op het feit dat de verhuurder meedeelde dat de auto wellicht voor het vervoeren van groene planten was gebruikt en omdat reeds eerder een onderzoek was uitgevoerd naar een door appellant geëxploiteerde hennepplantage, heeft een casemanager van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Sittard-Geleen (casemanager) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de casemanager onder meer dossieronderzoek verricht, diverse registers geraadpleegd, bij appellant afschriften van zijn bankrekeningen opgevraagd en een gesprek gevoerd met appellant op 10 december 2012. Appellant heeft afschriften van zijn huidige bankrekening, van een oude bankrekening en van de bankrekening van zijn dochter overgelegd. Op de bankafschriften zijn nauwelijks contante opnames en pintransacties te zien. In januari 2012 zijn twee kasstortingen gedaan. Tijdens het gesprek op 10 december 2012 heeft de casemanager appellant geconfronteerd met de onderzoeksbevindingen. Appellant heeft verklaard dat hij middelen van derden heeft gekregen in de vorm van een geldlening en dat hij voor zijn levensonderhoud gebruik heeft gemaakt van een in 2007 uit de opbrengst van een hennepplantage verkregen bedrag van € 6.000,-. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 13 december 2012.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 13 december 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 mei 2013 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellant met ingang van 19 september 2008 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 19 september 2008 tot en met 31 oktober 2012 tot een bedrag van € 55.339,34 van appellant terug te vorderen. Het college heeft aan bestreden besluit 1, samengevat, ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellant heeft geen duidelijkheid verschaft over hoe hij in de periode van

19 september 2008 tot en met 21 oktober 2012 in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Het college kan niet vaststellen hoe appellant zijn uitgaven voor verzorgingsproducten, diesel voor zijn auto en voeding en verzorging van zijn honden heeft bekostigd, nu de bankafschriften hiervoor geen aanwijzingen bieden. Uit de bankafschriften blijkt dat appellant nauwelijks heeft gepind of contant geld heeft opgenomen, maar wel dat hij diverse kasstortingen heeft gedaan, waarover hij geen duidelijkheid heeft verschaft. De verklaringen dat appellant in zijn levensonderhoud heeft voorzien door geld van derden te lenen en uit de verkregen opbrengsten van een hennepplantage, acht het college niet aannemelijk.

1.4.

Appellant heeft zich op 12 december 2012 gemeld om opnieuw bijstand aan te vragen. Bij besluit van 18 maart 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 augustus 2013 (bestreden besluit 2), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de situatie ten tijde van de intrekking van de bijstand. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt op welke wijze hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien in de periode van 1 november 2012 tot 18 maart 2013.

1.5.

Appellant heeft verzocht om uitstel van betaling van de terugvordering totdat in hoogste instantie onherroepelijk is beslist. Het college heeft bij besluit van 24 mei 2013 hierop afwijzend beslist. Het college heeft het daartegen gemaakte bezwaar doorgezonden naar de rechtbank ter behandeling bij het beroep tegen het bestreden besluit 1.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het college het verzoek van appellant om uitstel van betaling niet heeft hoeven honoreren.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking, terugvordering en uitstel van betaling

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 19 september 2008 tot en met 13 december 2012

(te beoordelen periode 1).

4.2.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.3.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft hij geen opheldering verschaft over hoe hij in de te beoordelen periode 1 in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Op de bankafschriften is te zien dat de maandelijks ontvangen bijstand en de toeslagen worden gebruikt voor de betaling van de maandelijkse vaste lasten zoals huur, energiekosten en verzekeringen en dat nauwelijks contante opnames en pintransacties plaatsvinden. Appellant heeft niet met concrete en verifieerbare stukken onderbouwd hoe hij, naast die vaste lasten, in de uitgaven voor verzorgingsproducten, voeding en verzorging van zijn honden en diesel voor zijn auto heeft voorzien. Ook heeft appellant de herkomst van de kasstortingen niet duidelijk gemaakt. Appellant heeft ter zitting zijn stelling gehandhaafd dat hij geld heeft geleend van derden, maar dat hij niet wil verklaren om welke bedragen het gaat en om welke personen het gaat. De stelling van appellant dat hij in 2007 opbrengsten heeft verkregen uit een hennepplantage en dat hij tot de zomer van 2011 hiervan heeft geleefd, heeft hij eveneens ter zitting gehandhaafd, zonder helderheid te verschaffen over het precieze bedrag aan opbrengsten uit de hennepplantage. Uit het voorgaande volgt dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden nu de verzochte duidelijkheid over de wijze waarop hij in levensonderhoud heeft voorzien achterwege is gebleven. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat gelet daarop niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, appellant vanaf

19 september 2008 verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Gelet hierop behoeft de beroepsgrond dat het appellant vanwege zijn medische situatie niet te verwijten valt dat hij tijdens het gesprek van 10 december 2012 tegenstrijdige, inconsistente verklaringen heeft afgelegd, dan ook geen bespreking.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het college bevoegd was om de bijstand van appellant met ingang van

19 september 2008 in te trekken. Omtrent de wijze waarop het college van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, de terugvordering en de afwijzing van het verzoek om uitstel van betaling heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden ingediend, zodat deze verder geen bespreking behoeven.

Nieuwe aanvraag

4.5.

De te beoordelen periode loopt van 14 december 2012 tot en met 18 maart 2013

(te beoordelen periode 2).

4.6.

Indien periodieke bijstand is ingetrokken en de betrokkene een aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.

4.7.

Appellant is daarin niet geslaagd. Appellant heeft niet aangetoond dat zijn financiële situatie in de te beoordelen periode 2 is gewijzigd in die zin dat hij thans wel verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Hij heeft ter zitting ook bevestigd dat in zijn situatie geen wijziging was opgetreden.

4.8.

Uit 4.5 tot en met 4.7 volgt dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen.

Conclusie

4.9.

Uit 4.4 en 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2016.

(getekend) P.W. van Straalen

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD