Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4245

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
15/4078 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek om bevordering berust op goede gronden. Op basis van de beoordeling moet wel worden vastgesteld dat appellante uiterlijk op 31 december 2012 boven de norm functioneerde. Geen grond voor de conclusie dat het advies op onvoldoende gronden berust en dat de korpschef op basis hiervan niet in redelijkheid tot een negatief oordeel heeft kunnen komen over de verwachte geschiktheid voor de functie van senior. Niet kan worden geconcludeerd dat appellante vóór 1 januari 2013 voldeed aan de voorwaarde van verwachte geschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4078 AW, 15/5787 AW

Datum uitspraak: 3 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

29 april 2015, 14/2790 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft S.A.J.T. Hoogendoorn hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Namens appellante heeft Hoogendoorn een schriftelijke zienswijze ingediend naar aanleiding van het incidenteel hoger beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door Hoogendoorn. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.A.C. Theunissen, C. de Jonge en I. Roebers-Visscher.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was sinds 2005 werkzaam bij de voormalige politieregio [politieregio], sinds 2009 in de functie van [functie] ([functie]).

1.2.

Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 hebben de Minister van Veiligheid en Justitie en de politievakorganisaties op 9 september 2010 overeenstemming bereikt over de tweede tranche van de landelijk te harmoniseren arbeidsvoorwaarden politie (HAP II). Deze afspraken zijn vastgelegd in de op 1 november 2010 in werking getreden circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche (Stcrt. 2010, 19782, circulaire).

1.3.

Een onderdeel van de harmonisatieafspraken is het in bijlage 6 van de circulaire opgenomen “Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior binnen de [functie]” (loopbaanbeleid). In die bijlage zijn de afspraken vastgelegd over de mogelijkheden tot doorstroming van ambtenaren binnen de [functie] naar een volgend niveau of volgende functie. Voor de doorstroming van generalist [functie] (schaal 7) naar senior [functie] (schaal 8) is onder meer als vereiste gesteld dat sprake is van “vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior [functie]”. Vermeld is dat het loopbaanbeleid vanaf 1 november 2010 geldt voor alle medewerkers bij de Nederlandse Politie, dat de Raad van korpschefs i.o. zich aan de circulaire heeft geconformeerd en dat het bevoegd gezag deze circulaire dient te volgen, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet. In april 2013 heeft de Commissie voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken nadere uitvoeringsafspraken (uitvoeringsafspraken) vastgesteld.

1.4.

Het loopbaanbeleid is door de vijf voormalige politieregio’s van Oost-Nederland nader uitgewerkt in het kaderdocument “Uitvoering Landelijk Loopbaanbeleid Doorstroming Executieven in de [functie] ten behoeve van de korpsen binnen de eenheid Oost-Nederland” van 1 december 2011 (kaderdocument). In het kaderdocument is vastgelegd dat voor de vijf korpsen binnen Oost-Nederland ruimte bestaat voor beslissingen dan wel concretisering op een aantal punten; één van die punten is de eis van “vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen de verwachte geschiktheid voor senior [functie]”.

1.5.

De korpsleiding en de ondernemingsraad van de politieregio [politieregio] hebben, voor zover hier van belang, tijdens een overleg op 15 december 2011 uitgesproken dat de bevordering van generalist [functie] naar senior [functie] is bedoeld voor politieambtenaren die zeer goed functioneren. De korpsleiding heeft besloten dat tot bevordering wordt overgegaan als sprake is van een “uitstekende” beoordeling en de teamchef positief adviseert over de geschiktheid voor senior [functie]. Om aan de bezwaren van de ondernemingsraad tegemoet te komen, is een commissie ingesteld die bij wijze van hardheidsclausule heeft geadviseerd over de geschiktheid van 86 politieambtenaren met een “goede” beoordeling die tegen “uitstekend” aan zitten. De verzoeken van deze ambtenaren om bevordering zijn onder meer beoordeeld op het criterium dat op de competenties besluitvaardigheid en samenwerken minimaal eenmaal een 3 moet zijn gescoord en op de andere competenties minimaal een 2.

1.6.

Op 30 oktober 2012 heeft appellante verzocht om bevordering naar de functie van senior [functie]. Zij heeft daarbij een op 4 mei 2012 vastgestelde beoordeling gevoegd. Daarin is haar functioneren in de periode van 1 maart 2011 tot 1 maart 2012 beoordeeld als “goed”. Gedurende deze beoordelingsperiode was appellante werkzaam bij het team [team].

1.7.

Bij besluit van 28 februari 2013 heeft de korpschef het verzoek om bevordering afgewezen. Daarbij is vermeld dat een recente beoordeling ontbreekt met het beoordelingsresultaat “uitstekend” dan wel een resultaat dat daar tegen aanzit en dat de aanvraag niet wordt ondersteund door een positief advies van de teamchef. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Tijdens de bezwaarprocedure is een ongedateerd “Advies van de teamchef in het kader van HAPII” uitgebracht. Hierin is vermeld dat appellante in de periode tot augustus 2012 een prima hoofdagente was die groeiende was in haar functie, dat zij ondersteuning nodig had in het bedenken en uitvoeren van plannen en dat het zeker denkbaar is dat zij zich in de toekomst zal doorontwikkelen en coördinerende werkzaamheden zal laten zien. Verder is op 13 januari 2014 een beoordeling vastgesteld over de periode

11 augustus 2012 tot en met 8 januari 2014. Gedurende deze periode was appellante werkzaam bij het team Zwolle-centrum. Het functioneren is beoordeeld als “uitstekend”. Bij besluit van 30 september 2014 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 28 februari 2013 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een beoordeling boven de norm en dat de teamchef geen positief advies over de verwachte geschiktheid heeft uitgebracht. Daarbij is opgemerkt dat ook op basis van de beoordeling van 13 januari 2014 niet kan worden geconcludeerd dat appellante al vóór 1 januari 2013 dusdanig functioneerde dat bevordering gerechtvaardigd was.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe in de eerste plaats overwogen dat een eindscore “goed”, de eerstvolgende eindscore boven “voldoende”, moet worden aangemerkt als “boven de norm”. Dit brengt volgens de rechtbank mee dat de korpschef een onjuiste invulling heeft gegeven aan het begrip “boven de norm” en dat het bestreden besluit in zoverre op een onjuiste motivering berust. Verder was de rechtbank van oordeel dat de korpschef zich op basis van het advies van teamchef C van team [team] op het standpunt heeft mogen stellen dat appellante ten tijde van het indienen van de aanvraag nog niet beschikte over de vereiste verwachte geschiktheid. De beoordeling van 13 januari 2014 maakt dat volgens de rechtbank niet anders, aangezien het zwaartepunt van deze beoordeling niet wordt gevormd door de periode 11 augustus 2012 tot 1 januari 2013. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het verzoek om bevordering terecht is afgewezen.

3. Partijen hebben zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Incidenteel hoger beroep van de korpschef

4.1.

De korpschef heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de term “boven de norm”. Dit betoog slaagt. Met verwijzing naar de uitspraken van 30 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2551 en ECLI:NL:CRVB:2015:2552) is de korpschef met de keuze om het begrip “boven de norm” zo in te vullen dat alleen diegenen met het beoordelingsresultaat “uitstekend” dan wel “tegen uitstekend aan” voor bevordering in aanmerking komen én over een positief advies over hun verwachte geschiktheid beschikken, gebleven binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.

4.2.

Appellante heeft naar voren gebracht dat zij, uitgaande van de onder 4.1 bedoelde beleidskeuze, ook beschikt over een beoordeling boven de norm. Bij de beoordeling van 4 mei 2012 is het functioneren van appellante beoordeeld als “goed”. Alle beoordeelde competenties zijn gescoord op niveau 2, zodat deze beoordeling niet voldoet aan de onder 1.5 vermelde criteria. Anders dan de korpschef is de Raad van oordeel dat op basis van de beoordeling van 13 januari 2014 wel moet worden vastgesteld dat appellante uiterlijk op

31 december 2012 boven de norm functioneerde. Uit de beoordeling kan niet worden afgeleid dat het functioneren van appellante pas na 31 december 2012 als “uitstekend” kan worden aangemerkt. Verder heeft leidinggevende M, die deze beoordeling heeft opgesteld, op

18 augustus 2015 verklaard dat het functioneren van appellante ook in de periode van

11 augustus 2012 tot 1 januari 2013 als “uitstekend“ moet worden aangemerkt. De algemene stelling van de korpschef dat een politieambtenaar bij de overgang naar een nieuw team altijd een bepaalde inwerkperiode doormaakt en in die periode nog niet volledig functioneert, is onvoldoende voor een ander oordeel. Het bestreden besluit berust daarom in zoverre op een onjuiste motivering, zij het om een andere reden dan de rechtbank heeft aangenomen.

4.3.

Wat is overwogen onder 4.2 brengt mee dat de stelling van appellante dat de korpschef de onder 1.5 vermelde gedragslijn inmiddels heeft verlaten en ook een beoordeling met als eindresultaat “goed” als boven de norm aanmerkt, geen bespreking behoeft.

Hoger beroep van appellante

4.4.

Anders dan appellante heeft betoogd, is de Raad van oordeel dat de korpschef geen invulling en uitleg van het begrip verwachte geschiktheid heeft gegeven die in strijd is met het loopbaanbeleid. Net als in de onder 4.1 genoemde uitspraken van 30 juli 2015 over het begrip “boven de norm” is geoordeeld, komt de korpschef de bevoegdheid toe om ook dit begrip nader in te vullen. De korpschef heeft voor het vaststellen van de verwachte geschiktheid van belang mogen achten dat de medewerker gedurende de beoordelingsperiode een coördinerende/aansturende en een initiërende rol in de praktijk heeft laten zien. Verwezen wordt naar de uitspraak van 14 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1378.

4.5.1.

Appellante heeft verder naar voren gebracht dat, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, C geen teamchef was maar taakveldchef en dat hij het onder 1.7 vermelde advies over de verwachte geschiktheid niet heeft opgesteld, aangezien hij nadien zelf heeft verklaard geen rol te hebben gespeeld bij de advisering. Volgens appellante zijn in het kader van de totstandkoming van het advies onvoldoende informanten benaderd en is het advies in inhoudelijk opzicht onjuist. Daarbij heeft zij erop gewezen dat zij met de door haar verrichte werkzaamheden als coördinator biken, coördinator project Vliegende Brigade en studentencoach in voldoende mate een coördinerende/aansturende en een initiërende rol heeft laten zien.

4.5.2.

Zoals de korpschef ter zitting heeft erkend, is de advisering over de verwachte geschiktheid van appellante voor de functie van senior [functie] in procedureel opzicht wat ongelukkig verlopen. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting moet worden vastgesteld dat de taakveldchef C de beoordeling van 4 mei 2012 heeft opgesteld, dat hij daarna wegens ziekte een langere periode afwezig is geweest en dat het onder 1.7 vermelde advies over de verwachte geschiktheid is opgesteld door R-V. Het is niet gebleken dat R-V, in het team [team] achtereenvolgens de taakveldteamchef en de teamchef van appellante, onvoldoende zicht had op haar functioneren. De Raad ziet verder geen grond voor de conclusie dat het advies op onvoldoende gronden berust en dat de korpschef op basis hiervan niet in redelijkheid tot een negatief oordeel heeft kunnen komen over de verwachte geschiktheid voor de functie van senior [functie]. De door appellante verrichte coördinerende werkzaamheden binnen haar taakaccenten zijn niet op één lijn te stellen met het coördinatievermogen en het coach/mentorschap behorend bij de werkzaamheden van een senior [functie]. De door appellante ingebrachte verklaring van trajectbegeleider N van

24 februari 2015, waarin de werkzaamheden van appellante als studentencoach zijn beschreven, is in dit verband onvoldoende (vergelijk de uitspraak van 25 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:656). In geen van de andere verklaringen die in het kader van de onderhavige procedure zijn uitgebracht, is het oordeel vastgelegd dat sprake is van verwachte geschiktheid in de zin van het loopbaanbeleid. Niet kan worden geconcludeerd dat appellante vóór 1 januari 2013 voldeed aan de voorwaarde van verwachte geschiktheid. Ook in zoverre slaagt het hoger beroep van appellante daarom niet.

4.5.3.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de afwijzing van het verzoek om bevordering in rechte standhoudt en dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2016.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) A. Mansourova

HD