Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4241

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2016
Datum publicatie
14-11-2016
Zaaknummer
16/416 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:8404, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging van re-integratieverplichting voor 20 uur per week. Medische rapporten. Geen sprake van onzorgvuldigheid door deskundige te volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/416 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 december 2015, 13/6178 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Werkplein Hart van

West-Brabant (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Gemeenschappelijke regeling van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Werkplein Hart van West-Brabant worden met ingang van 1 januari 2015 de taken van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal (college) op het gebied van werk en inkomen uitgevoerd door het dagelijks bestuur. In deze uitspraak wordt, daar waar gesproken wordt van het dagelijks bestuur, tevens bedoeld zijn rechtsvoorganger het college.

Namens appellant heeft mr. H. Weinans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Weinans. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Neeleman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 11 januari 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Op 10 februari 2012 is na medisch onderzoek vastgesteld dat appellant als gevolg van psychische en fysieke beperkingen niet geschikt is (20 uur of meer) ingezet te worden bij een werkgever. Daarbij heeft de medisch adviseur te kennen gegeven dat dit een tijdelijke situatie is. De medisch adviseur heeft geadviseerd over 12 maanden een heronderzoek aan te vragen om de belastbaarheid van appellant opnieuw in kaart te brengen. Op grond van dit advies heeft het college appellant vanaf de aanvang van de bijstand om medische redenen ontheven van de arbeids- en re-integratieverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.

1.3.

Begin 2013 heeft Margolin op verzoek van het dagelijks bestuur een medisch en arbeidskundig onderzoek uitgevoerd in verband met het al dan niet voortzetten van de ontheffing. In dat kader heeft arts R. Bhaggoe (Bhaggoe) appellant op 19 februari 2013 onderzocht. Vervolgens heeft appellant op 18 maart 2013 het spreekuur van arbeidsdeskundige M. de Rooij (De Rooij) bezocht. Bhaggoe heeft vastgesteld dat appellant een aantal psychische en fysieke beperkingen heeft. In verband hiermee heeft deze arts beperkingen opgenomen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en geconcludeerd dat appellant, rekening houdend met zijn medische beperkingen, minstens voor halve dagen belastbaar is met eenvoudige arbeid die weinig beslag legt op zijn mentale functies. De Rooij heeft geadviseerd een kortdurende tijdgebonden opbouw van de arbeidsuren te realiseren in een traject naar werk, waarbij in de eerste maand 50% van de door de arts mogelijk geachte inzet van 20 uur per week wordt gerealiseerd en in de tweede en derde maand 75% onderscheidenlijk 100%.

1.4.

Bij besluit van 27 maart 2013 heeft het dagelijks bestuur aan appellant de

re-integratieverplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de WWB opgelegd. Tevens heeft het dagelijks bestuur aan appellant meegedeeld dat het hem heeft aangemeld voor een

re-integratietraject bij Wildebrand Academie.

1.5.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 27 maart 2013. Het dagelijks bestuur heeft naar aanleiding hiervan psycholoog N.E.M. Kok (Kok) van A-REA opdracht gegeven een (arbeids)psychologisch belastbaarheidsonderzoek te doen. Kok heeft appellant op 13 juni 2013 onderzocht. In zijn rapport van 14 juni 2013 heeft Kok geconcludeerd dat appellant psychisch verminderd belastbaar is met arbeids- en re-integratiegerichte activiteiten. Bij brief van 15 juli 2013 heeft appellant het dagelijks bestuur nadere medische informatie verstrekt. Het dagelijks bestuur heeft deze informatie aan A-REA ter beoordeling voorgelegd. Medisch adviseur H.J.M. Stammers van A-REA heeft in zijn advies van 30 juli 2013 geconcludeerd dat de door appellant overgelegde nadere medische informatie geen aanleiding geeft tot bijstelling van de op 19 februari 2013 vastgestelde belastbaarheid.

1.6.

Bij besluit van 1 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 27 maart 2013 ongegrond verklaard.

1.7.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Ter onderbouwing heeft hij een rapport van verzekeringsarts E.C. van der Eijk (Van der Eijk) van 12 mei 2014 ingebracht. Deze arts betwijfelt sterk of appellant gelet op de ernst van de beperkingen voor arbeid belastbaar is. Van der Eijk stelt daartoe dat Kok in zijn rapport van 14 juni 2013 heeft geconcludeerd dat sprake is van meer (psychische) beperkingen dan aanvankelijk aangenomen, met name in het sociaal functioneren van appellant, als gevolg waarvan zijn psychische belastbaarheid, in vergelijking met het medisch onderzoek van

19 februari 2013, forser beperkt was. Van der Eijk acht niet onderbouwd dat het rapport van 14 juni 2013 geen aanleiding gaf de eerdere conclusies te herzien.

1.8.

Na de behandeling van het geding ter zitting heeft de rechtbank geconcludeerd dat het onderzoek niet volledig is geweest. In verband hiermee heeft de rechtbank besloten het onderzoek te heropenen. De rechtbank heeft vervolgens zenuwarts en psychiater W. Eland (Eland) als deskundige benoemd voor het doen van een onderzoek. Eland heeft met zijn rapport van 15 april 2015 advies uitgebracht aan de rechtbank. Mede naar aanleiding van de reactie van appellant op dit advies heeft Eland op verzoek van de rechtbank bij brief van

18 augustus 2015 nog een nadere reactie gegeven. Eland kan instemmen met de door Bhaggoe vastgestelde belastbaarheid van appellant en met het standpunt van het dagelijks bestuur dat appellant, blijkens het advies van arbeidsdeskundige De Rooij, op 1 oktober 2013 in staat was door middel van geleidelijke urenopbouw 20 uur per week te werken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant voert aan dat de bevindingen van Eland innerlijk tegenstrijdig zijn, nu Eland enerzijds zeer ernstige beperkingen aanneemt, maar anderzijds de door Bhaggoe vastgestelde belastbaarheid onderschrijft. Nu Eland geen verklaring geeft voor de innerlijke tegenstrijdigheid meent appellant dat de rapportage van Eland onbegrijpelijk is en derhalve de aangevallen uitspraak onvoldoende is gemotiveerd en feitelijke grondslag ontbeert. Verder voert appellant aan dat als beoordelingsmoment heeft te gelden de datum van 1 oktober 2013. De bevindingen van Bhaggoe, die zijn gebaseerd op een op 19 februari 2013 verricht onderzoek, zijn dan ook niet van belang voor de vaststelling van de arbeidsmogelijkheden van appellant op 1 oktober 2013. Ook om die reden is de aangevallen uitspraak onvoldoende gemotiveerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 9, eerste lid, van de WWB zijn - kort gezegd - de verplichtingen tot arbeidsinschakeling opgenomen. Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, kan het dagelijks bestuur in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.2.

Bij de beoordeling van de vraag of het dagelijks bestuur terecht aan appellant de

re-integratieverplichtingen voor 20 uur per week heeft opgelegd heeft de rechtbank als uitgangspunt genomen dat de datum van het bestreden besluit, te weten 1 oktober 2013, als beoordelingsmoment heeft te gelden. Nu dat tussen partijen niet in geschil is, zal ook de Raad deze datum als uitgangspunt nemen.

4.3.

Met betrekking tot de medische beperkingen van appellant heeft de rechtbank terecht de door haar geraadpleegde deskundige Eland gevolgd in zijn bevindingen en conclusies. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. In wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn geen aanknopingspunten gelegen voor het oordeel dat het onderzoek door Eland onzorgvuldig is verricht, noch dat appellant op de datum in geding, 1 oktober 2013, medisch meer beperkt is dan is aangenomen in de FML van 19 februari 2013. Het door Eland uitgebrachte rapport van 15 april 2015 is inzichtelijk en consistent en zijn conclusies heeft Eland gemotiveerd aan de hand van een relevant medisch onderzoek en kennisneming van de over appellant beschikbare medische informatie, waaronder informatie van de huisarts en de behandelend psychiater en het rapport van verzekeringsarts Van der Eijk van 12 mei 2014. In zijn nadere reactie van 18 augustus 2015 heeft Eland afdoende gemotiveerd waarom het op

2 juni 2015 ontvangen commentaar van appellant, dat zonder ondersteunend medisch stuk is

gebleven, hem geen aanleiding gaf zijn standpunt te wijzigen.

4.4.

Nu Eland voorts uitdrukkelijk heeft ingestemd met de belastbaarheid, zoals vastgelegd in de FML van 19 februari 2013, bestaat geen grond voor het oordeel dat appellant ten gevolge van zijn lichamelijke en psychische klachten niet geschikt is vanaf 1 oktober 2013 via tijdgebonden opbouw van de arbeidsuren voor maximaal 20 uur per week te werken.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2016.

(getekend) M. Hillen

(getekend) J. Tuit

HD