Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4236

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2016
Datum publicatie
14-11-2016
Zaaknummer
14/6757 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening uitspraak van de Raad slaagt niet. Niet voldaan aan art. 8:119 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6757 WWB, 14/6758 WWB

Datum uitspraak: 8 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 7 oktober 2014, 13/2067 WWB en 13/6590 WWB

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Avres 2016 te Gorinchem (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft [naam A] bij brief van 30 december 2014 om herziening verzocht van de hiervoor vermelde uitspraak van de Raad van 7 oktober 2014. Hierna heeft hij nog nadere stukken ingediend.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 14/7001 WWB, 14/7003 WWB, 15/1333 WWB, 15/1334 WWB en 15/8364 WWB plaatsgevonden op 16 augustus 2016. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam A] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.G.H. Hartwijk. In de genoemde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Als gevolg van de inwerkingtreding op 1 januari 2016 van de ”Gemeenschappelijke regeling Avres 2016” (hierna: de Regeling) oefent het dagelijks bestuur van het bij de Regeling ingestelde openbaar lichaam Avres per 1 januari 2016 de bevoegdheden in het kader van de Participatiewet uit, die voordien werden uitgeoefend door het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst en Kredietbank Alblasserwaard/Vijfheerenlanden (RSD).

1.2.

Verzoeker heeft ter zitting aangevoerd dat de Raad het dagelijks bestuur van de Regeling ten onrechte heeft aangemerkt als partij in dit geding. De omstandigheid dat de RSD volgens gegevens van de Kamer van Koophandel nog niet is opgeheven, doet evenwel niet af aan de overdracht van bevoegdheden van de RSD aan Avres. Op grond van artikel 9, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen blijft een bij een regeling ingesteld openbaar lichaam of een bedrijfsvoeringsorganisatie na zijn ontbinding immers voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. De Raad heeft het dagelijks bestuur dan ook terecht, als rechtsopvolger van het dagelijks bestuur van de RSD, aangemerkt als partij in dit geding. De stelling van verzoeker dat een autorisatiebesluit ontbreekt, houdt geen stand, gelet op de besluiten van de raad van de gemeente Gorinchem van 26 november 2015 (stuk 2015-1478, www.gorinchem.nl).

1.3.

In deze uitspraak wordt onder het dagelijks bestuur mede verstaan het dagelijks bestuur van de RSD.

2. Bij de uitspraak waarvan verzoeker herziening vraagt, heeft de Raad de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 7 maart 2013, 12/1016, en van 28 oktober 2013, 13/5778, bevestigd.

3. Verzoeker heeft aan zijn verzoek, samengevat, ten grondslag gelegd dat de Raad een fout in de uitspraak van de rechtbank van 7 maart 2013 heeft overgenomen. Het begrip arbeidsinschakeling is nergens gedefinieerd. De Raad is van onjuiste feiten uitgegaan door te oordelen dat de rechtbank de behandeling van de klacht niet behoefde af te wachten om een inhoudelijk oordeel over de zaak te vormen. Volgens verzoeker is het Mens Ontwikkel Programma nergens omschreven. Omdat verzoeker geen indicatie op grond van de Wet sociale werkvoorziening heeft, kan het werk bij de Avelingen Groep hem niet worden opgedragen. Het dagelijks bestuur heeft nooit gevraagd om een sollicitatieoverzicht.

4. De Raad komt tot het volgende oordeel.

4.1.

Op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben geleid.

4.2.

Wat verzoeker tegen de uitspraak van de Raad van 7 oktober 2014 heeft aangevoerd behelst geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, maar een betwisting van de juistheid van de uitspraak van 7 oktober 2014. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 januari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS3516) is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 vloeit voort dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en M. ter Brugge en C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2016.

(getekend) M. Hillen

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD