Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4222

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2016
Datum publicatie
08-11-2016
Zaaknummer
15/3103 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIA-uitkering terecht geweigerd. Geen aanknopingspunten dat de verzekeringsartsen de beperkingen ten aanzien van de rechterschouder en de knie niet adequaat hebben vertaald naar beperkingen in de FML. Deugdelijke medische grondslag. Geschikt voor de geselecteerde voorbeeldfuncties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-1116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3103 WIA

Datum uitspraak: 4 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

26 maart 2015, 14/3895 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.C. van Etten, advocaat, hoger beroep ingesteld en een stuk ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Etten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.M.J.E. Budel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft laatstelijk gewerkt als autopoetser/chauffeur. Vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet heeft hij heeft zich op
9 december 2011 ziek gemeld met (langer bestaande) schouderklachten rechts. Appellant is verder bekend met chronische knieklachten rechts.

1.2.

Bij besluit van 28 november 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 6 december 2013 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Bij besluit van 6 mei 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 november 2013 ongegrond verklaard. Dit berust op het standpunt dat appellant verminderd belastbaar is wegens langer bestaande rechterschouderproblematiek (periartritis humeroscapularis chronisch, mogelijk artrotische verandering) en knieklachten rechts, maar met inachtneming van de voor hem vastgestelde beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 oktober 2013 in staat is de voor hem door de arbeidsdeskundige aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen, resulterend in een verlies aan verdiencapaciteit van 0%.

2.1.

In beroep heeft appellant herhaald dat de verzekeringsartsen zijn beperkingen hebben onderschat. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij op grond van zijn knieklachten ook beperkt is voor knielen en hurken en dat in de voor hem vastgestelde FML ten onrechte geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat overbelasting van de linkerarm voorkomen moet worden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij verwezen naar een brief van 16 januari 2015 van orthopedisch chirurg L.I.F. Penning. Appellant acht zich, gelet op zijn klachten, niet in staat om acht uur per dag en veertig uur per week te werken. Over de arbeidskundige grondslag heeft appellant – voor zover relevant in hoger beroep voor dit geding – aangevoerd dat hij niet in staat is de voor hem geselecteerde functies te vervullen.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat het medisch onderzoek op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De verzekeringsartsen hebben alle door appellant naar voren gebrachte klachten op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. De rechtbank heeft in hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd en in de overgelegde informatie van Penning van 16 januari 2015 geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. Over de knieklachten heeft de rechtbank overwogen dat deze bij de medische beoordeling zijn betrokken. Wat betreft de door appellant gestelde beperkingen aan zijn linkerschouder en zijn linkerarm heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bij onderzoek op 28 oktober 2013 heeft vastgesteld dat de linkerschouderfunctie onbeperkt is en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij lichamelijk onderzoek heeft vastgesteld dat de beweeglijkheid van de linkerschouder volledig is en dat de weerstandstesten negatief zijn. De verzekeringarts bezwaar en beroep acht appellant hiermee belastbaar overeenkomstig de normaalwaarden in de FML. Naar het oordeel van de rechtbank werpt de ingezonden informatie van Penning geen ander licht op de belastbaarheid van appellant nu deze informatie betrekking heeft op de medische situatie van appellant ruim één jaar na de datum in geding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep verder inzichtelijk toegelicht waarom er geen aanleiding bestaat voor een urenbeperking. Over de aan de schatting ten grondslag gelegde functies heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toereikend heeft gemotiveerd dat deze functies voor appellant in medisch opzicht geschikt zijn. De rechtbank is verder niet gebleken dat appellant niet over de juiste deskundigheid beschikt om de functies te kunnen vervullen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat de verzekeringsartsen zijn beperkingen hebben onderschat. Hij heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen aan de rechterknie verwezen naar een bericht van radioloog A.J.E. de Bruijn van 3 mei 2016. Appellant heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen. Hij heeft herhaald dat hij de voor hem geselecteerde functies niet kan vervullen.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar nadere rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 augustus 2015, 5 juli 2016 en 8 augustus 2016, een bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep ingediende gronden opnieuw naar voren gebracht. De rechtbank heeft die gronden terecht verworpen. In navolging van de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanknopingspunten te vinden zijn voor het standpunt dat de verzekeringsartsen de beperkingen van appellant ten aanzien van de rechterschouder en de knie niet adequaat hebben vertaald naar beperkingen in de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 12 augustus 2015 en 5 juli 2016 vastgesteld dat er vanuit de onderzoeksbevindingen, waarbij slechts zeer geringe afwijkingen zijn vastgesteld aan de rechterknie, medisch gezien geen reden is knielen en hurken te beperken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder betoogd dat de bevindingen van de echo van de rechterschouder van 12 december 2014 niet representatief zijn voor de beperkingen van de schouder per datum in geding, omdat deze echo dateert van één jaar later. Wat betreft de linkerschouderfunctie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 31 maart 2014 en
12 augustus 2015 gemotiveerd toegelicht dat er ten tijde in geding geen afwijkingen waren die beperkingen ten aanzien van de normaalwaarden rechtvaardigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder toegelicht dat bij tweehandige activiteiten de linkerschouder ontzien wordt, omdat de FML uitgaat van een verminderde belastbaarheid van de rechterschouder.

4.2.

Hetgeen appellant in hoger beroep onder verwijzing naar het bericht van radioloog
De Bruijn van 3 mei 2016 over de beperkingen aan zijn rechterknie naar voren heeft gebracht, tast de juistheid van het oordeel van de rechtbank niet aan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 8 augustus 2016 gemotiveerd uiteengezet dat de ingebrachte uitslag van een MRI-scan van de rechterknie, waarin (onder meer) geconcludeerd is dat sprake is van een “ruptuurtje centraal laterale meniscus en voorhoorn mediale meniscus”, niet representatief is voor de beperkingen van appellant ten tijde in geding. Zij heeft daarbij in aanmerking genomen dat de MRI-scan van 3 mei 2016 dateert van bijna drie jaar na de datum in geding, dat sprake is van een zich ontwikkelend beeld in de tijd en dat er anamnestisch als ook bij onderzoek in 2013 sprake was van een ander medisch beeld, dat lichtere beperkingen rechtvaardigde. Anders dan bij een verzekeringsgeneeskundige beoordeling op 20 juli 2016, waarbij een beperkte pijnlijke beweeglijkheid van de rechterknie werd vastgesteld, was er bij medisch onderzoek op 31 maart 2014 sprake van een volledig beweegbare rechterknie, zonder oedeem en met een stabiel bandapparaat. Hieruit vloeit voort dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. Het verzoek aan de Raad om een onafhankelijke deskundige te raadplegen wordt gelet op het vorenstaande dan ook afgewezen.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de FML moet het oordeel van de rechtbank worden onderschreven dat appellant in staat moet worden geacht de werkzaamheden die zijn verbonden aan de voor hem geselecteerde voorbeeldfuncties, te verrichten. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 28 april 2014 overtuigend toegelicht dat de geselecteerde functies vallen binnen de belastbaarheid van appellant. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij de beoordeling van de geschiktheid van de functie perronmedewerker (SBC-code 111220), waarin een elektrische hefwagen/ handpallettruck bediend moet worden, nagelaten heeft te toetsen of appellant over die specifieke deskundigheid beschikt. Daartoe wordt overwogen, zoals ook door de gemachtigde van het Uwv ter zitting is verklaard, dat op de arbeidsmogelijkhedenlijst geen specifieke opleidingseis of vaardigheid gevraagd wordt voor het vervullen van die functie. Conform vaste rechtspraak (uitspraak van de Raad van
8 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY6390) mag van de juistheid van de
CBBS-gegevens worden uitgegaan, tenzij die voldoende gemotiveerd worden bestreden. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen als voorzitter en J.P.M. Zeijen en
A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2016.

(getekend) H. van Leeuwen

(getekend) R.I. Troelstra

NW