Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4213

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2016
Datum publicatie
08-11-2016
Zaaknummer
16/562 AOW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:765
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag om toelating tot vrijwillige verzekering ANW/AOW terecht afgewezen. Gedurende het jaar voorafgaande aan deze aanvraag was appellant in ieder geval niet verplicht verzekerd krachtens die wetten omdat hij toen niet in Nederland woonde of werkte. Voor zover appellant betoogt dat hij op basis van zijn WAO-uitkering wel verplicht verzekerd was wordt geoordeeld dat buiten het Rijk wonende personen die een WAO-uitkering ontvangen, sinds 1 januari 2000 niet verplicht verzekerd zijn ingevolge de AOW en de ANW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/562 AOW

Datum uitspraak: 4 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

15 december 2015, 15/4027 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (Marokko) (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2016. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant woonde vanaf 18 december 1996 in Nederland en is hier in de periode van

27 september 1999 tot en met 24 maart 2000 werkzaam geweest. Kort daarop is appellant vertrokken naar Marokko. Aan appellant is een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke met ingang van 2 april 2001 beëindigd werd. Op 21 juli 2008 is de WAO-uitkering met terugwerkende kracht per 2 april 2001 toegekend.

1.2.

Appellant heeft op 1 november 2014 de Svb verzocht hem in aanmerking te brengen voor de vrijwillige verzekering voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (ANW). Bij besluit van 16 december 2014 heeft de Svb het verzoek van appellant afgewezen. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellant nooit verplicht verzekerd is geweest voor de AOW/ANW. Bij besluit van 29 mei 2015 (bestreden besluit) heeft de Svb het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Hierbij is overwogen dat appellant in ieder geval in het jaar voorafgaand aan zijn verzoek van 1 november 2014 niet verplicht verzekerd is geweest, zodat reeds om die reden deelname aan de vrijwillige verzekering wordt geweigerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet verplicht verzekerd is geweest voor de AOW/ANW zodat het verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering terecht is afgewezen.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij een WAO-uitkering ontvangt en bereid is de premies voor de vrijwillige verzekering vanaf 2000 te voldoen.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Op grond van de artikelen 34, 35 en 36 van de AOW en artikel 63, 63a, 63b van de ANW is vrijwillige verzekering op grond van de AOW en de ANW alleen mogelijk in aansluiting op een periode van verplichte verzekering op grond van die wetten en voor zover de aanvraag voor toelating tot vrijwillige verzekering wordt ingediend uiterlijk één jaar na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd.

4.3.

Appellant heeft op 1 november 2014 verzocht om toelating tot de vrijwillige verzekering krachtens de AOW en de ANW. Gedurende het jaar voorafgaande aan deze aanvraag was appellant in ieder geval niet verplicht verzekerd krachtens die wetten omdat hij toen niet in Nederland woonde of werkte. Voor zover appellant betoogt dat hij op basis van zijn

WAO-uitkering wel verplicht verzekerd was wordt geoordeeld dat buiten het Rijk wonende personen die een WAO-uitkering ontvangen, sinds 1 januari 2000 niet verplicht verzekerd zijn ingevolge de AOW en de ANW, wat vóór die datum onder bepaalde omstandigheden wel het geval was.

4.4.

Uit overwegingen 4.2 en 4.3 vloeit voort dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige verzekering voor de AOW en de ANW, zodat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4.5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P. Vrolijk, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2016.

(getekend) P. Vrolijk

(getekend) A.M.C. de Vries

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekering.

IvR