Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4207

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2016
Datum publicatie
04-11-2016
Zaaknummer
16/482 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijsregels ambtenarentuchtrecht. Gelet op overwegingen 3.1 tot en met 3.5 geen deugdelijke feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant de hem verweten gedraging heeft begaan. Minister niet bevoegd om appellant een disciplinaire maatregel op te leggen. Besluit herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/482 AW

Datum uitspraak: 3 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

7 december 2015, 15/410 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.M.T. van Diepen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Diepen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Verhagen.


OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van februari 1994 aangesteld bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en was laatstelijk werkzaam in de functie van [functie A] in de Penitentiaire Inrichtingen (PI) [naam PI].

1.2.

Nadat de Nederlandse ambassade in Paramaribo ten behoeve van O een machtiging tot voorlopig verblijf had afgegeven, heeft zij op 10 september 2012 in Nederland een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf bij partner [Appellant]’. Het gaat hier om appellant. Op 10 oktober 2012 is aan O een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘verblijf bij partner [Appellant]’.

1.3.

In het najaar van 2012 heeft de vreemdelingenpolitie Flevoland op verzoek van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een onderzoek ingesteld wegens het vermoeden van een schijnrelatie tussen appellant en O. Daartoe is op 5 november 2012een huisbezoek afgelegd aan het adres waarop appellant en O in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staan ingeschreven en is appellant gehoord. Het proces-verbaal van 6 november 2012 van deze controle was aanleiding tot het voornemen van de IND om de verblijfsvergunning van O in te trekken. Op 21 januari 2013 heeft O hierover schriftelijk haar zienswijze naar voren gebracht. De vreemdelingenpolitie heeft in februari en maart 2013 nog vijf adrescontroles uitgevoerd op het adres van appellant, waarbij niemand werd aangetroffen, en een buurtonderzoek ingesteld. De uitkomsten daarvan zijn neergelegd in een proces-verbaal van 6 maart 2013.

1.4.

Bij besluit van 18 maart 2013 heeft de IND de aan O verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij partner [Appellant]’ met terugwerkende kracht met ingang van 6 november 2012 ingetrokken op de grond dat O met ingang van die datum niet meer voldoet aan de aan haar verblijfsvergunning verbonden beperking. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. De IND heeft in april 2013 aangifte gedaan van vermoedelijke strafbare feiten, gepleegd door O en appellant. Appellant is voor deze feiten niet verder vervolgd wegens het ontbreken van voldoende wettig bewijs.

1.5.

Op 13 maart 2013 heeft het Bureau Integriteit DJI(BI) van de IND een e-mail ontvangen, waarin aan de onder 1.3 vermelde en bij de e-mail gevoegde processen-verbaal de conclusie is verbonden dat appellant op valse gronden heeft meegewerkt aan het legale verblijf van O. Deze informatie was voor de plaatsvervangend vestigingsdirecteur W van de PI aanleiding om op 19 maart 2013 hierover met appellant een gesprek te voeren. In dit gesprek is appellant meegedeeld dat BI een disciplinair onderzoek zal instellen. Aan het einde van het gesprek is hem een besluit uitgereikt waarbij hem de toegang tot alle dienstlokalen en dienstgebouwen is ontzegd. BI heeft op 25 juni 2013 een rapport uitgebracht over de informatie van de IND en de reactie van appellant daarop.

1.6.

Na een voornemen daartoe, waarover appellant zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft de minister bij besluit van 24 juni 2014 aan appellant met toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement wegens (zeer) ernstig plichtsverzuim de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 december 2014 (bestreden besluit). Appellant wordt verweten dat hij op valse gronden heeft meegewerkt aan het legale verblijf in Nederland van O en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan het plegen van de strafbare feiten oplichting en valsheid in geschrift en dat hij onjuist verklaard heeft door in het gesprek met W te stellen dat hij geen schijnrelatie is aangegaan met O.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.
3.1. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) gelden in het ambtenarentuchtrecht niet de strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven is noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

3.2.

In het aan appellant gemaakte verwijt dat hij op valse gronden heeft meegewerkt aan het legale verblijf in Nederland van O ligt besloten dat hij, anders dan hij tegenover de IND heeft verklaard, in werkelijkheid nimmer heeft beoogd om daadwerkelijk met O te gaan samenwonen en dat van samenwoning ook geen sprake is geweest. Zoals de minister ter zitting van de Raad heeft beaamd, ligt de ontkenning van de schijnrelatie tegenover W in het verlengde van deze gedraging. Verder heeft de minister ter zitting van de Raad bevestigd dat hij zijn standpunt dat appellant zich aan de verweten gedraging schuldig heeft gemaakt, baseert op het proces-verbaal van 6 november 2012, het proces-verbaal van 6 maart 2013, voor zover daarin verslag is gedaan van het buurtonderzoek, en op de omstandigheid dat appellant en O tijdens het op 1 augustus 2013 gehouden gehoor naar aanleiding van het bezwaar tegen de intrekking van de verblijfsvergunning van O tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd.

3.3.

In het proces-verbaal van 6 november 2012 is vermeld dat bij de controle op 5 november 2012 niets in de woning van appellant is aangetroffen dat erop wees dat O in de woning verblijft dan wel woont. In de woning werden geen kleding, verzorgingsproducten of post van O aangetroffen. Wat appellant op 5 november 2012 en O in haar zienswijze van

21 januari 2013 hierover hebben verklaard, komt in zoverre overeen dat O op

5 november 2012 tijdelijk in [plaatsnaam] verbleef bij haar zus die vanuit Suriname over was in Nederland. De bevinding van deze adrescontrole biedt geen (deugdelijke) grond voor een antwoord op de vraag of O in de aan 5 november 2012 voorafgaande periode haar verblijf in die woning heeft gehad. Dat de verklaringen van appellant en O over de reden van haar verblijf in [plaatsnaam] uiteenliepen, maakt dat niet anders. De Raad merkt in dit verband op dat de IND de verblijfsvergunning van O niet eerder dan met ingang van 6 november 2012 heeft ingetrokken.

3.4.

In het proces-verbaal van 6 maart 2013 is over het buurtonderzoek slechts gerapporteerd dat de bewoners van drie met de huisnummers aangeduide woningen O desgevraagd niet van een van haar getoonde foto hebben herkend. In dat proces-verbaal zijn geen (ondertekende) verklaringen van de buurtbewoners opgenomen en daarin is niet vermeld op welke datum het onderzoek heeft plaatsgevonden, met welke bewoners is gesproken, welke vraag precies aan hen is gesteld en of hun woonsituatie zodanig is dat het al dan niet herkennen van O van belang is voor het antwoord op de vraag of O woonachtig was op het adres van appellant. Dit buurtonderzoek is aldus niet op deugdelijke wijze vastgelegd en kan niet dienen als feitelijke grondslag voor de conclusie dat O nimmer heeft beoogd om daadwerkelijk met O te gaan samenwonen en niet op het adres van appellant woonde of heeft gewoond.

3.5.

De omstandigheid dat appellant en O tijdens het gehoor bij de IND op 1 augustus 2013, waarbij zij afzonderlijk van elkaar zijn gehoord, op vragen over het doen van boodschappen en over de tweede werkgever van O geen gelijkluidend antwoord hebben gegeven, biedt bij gebrek aan andere gegevens die dit ondersteunen onvoldoende basis voor de conclusie dat appellant de hem verweten gedraging heeft begaan. Hierbij is tevens van belang dat appellant en O tijdens dit gehoor op het overgrote deel van de vele gedetailleerde vragen over elkaar en over hun leefwijze gelijkluidende antwoorden hebben gegeven.

3.6.

Gelet op 3.1 tot en met 3.5 is er geen deugdelijke feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant de hem verweten gedraging heeft begaan. De minister was dan ook niet bevoegd om appellant een disciplinaire maatregel op te leggen.

3.7.

Het hoger beroep slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 24 juni 2014 te herroepen.

4. Aanleiding bestaat om de minister te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 992,- in bezwaar, € 1.010,40 in beroep en € 1.010,40 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 december 2014 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- herroept het besluit van 24 juni 2014 en verklaart dat deze uitspraak in de plaats treedt van

het vernietigde besluit;

- bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 418,- vergoedt;

- veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.012,80.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en E.J.M. Heijs en

M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2016.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) S.W. Munneke

IJ