Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4196

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2016
Datum publicatie
04-11-2016
Zaaknummer
16/1262 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om een aanvulling op pensioen, omdat inmiddels uit een berekening van het ABP is gebleken dat het pensioen aanzienlijk minder zal bedragen dan destijds werd ingeschat, is terecht afgewezen. Niet in geschil is dat daadwerkelijk volledige compensatie tot 65 jaar en volledige pensioenopbouw heeft plaatsgevonden conform de vaststellingsovereenkomst. De vaststellingsovereenkomst strekt zich niet mede uit over de door appellante gewenste compensatie voor het feit dat zij door de eerdere beëindiging van het dienstverband niet kan profiteren van het Vendrik-effect.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/419
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1262 AW

Datum uitspraak: 3 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

20 januari 2016, 15/3093 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.J.B. de Wolff, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. de Wolff. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Laros-van der Jagt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren op [geboortedatum] 1949, was van 1 oktober 2003 tot

1 januari 2012 werkzaam bij de gemeente Haarlem, laatstelijk als [functie 1] . In onderling overleg is besloten tot beëindiging van het dienstverband. Met het oog op de te treffen financiële regeling is in opdracht van het college een zogenoemde Scenario Analyse uitgevoerd door adviesbureau PROambt. Op 15 december 2011 hebben appellante en het college (partijen) een vaststellingsovereenkomst (overeenkomst) gesloten. In de overeenkomst is onder meer bepaald dat appellante met ondertekening van deze overeenkomst verzoekt om ontslag wegens Flexibel Pensioen en Uittreden (FPU) per vroegst mogelijke ingangsdatum

- indicatief 1 januari 2012 - en dat het college haar dit ontslag verleent; dat appellante recht heeft op een (netto) inkomensgarantie tot de leeftijd van 65 jaar en dat deze inkomensgarantie wordt gegarandeerd door tot de leeftijd van 65 jaar gebruik te maken van de FPU-regeling; en dat appellante voorts met ingang van de pensioengerechtigde leeftijd recht heeft op een pensioen (ouderdoms- en nabestaandenpensioen) zoals bereikt zou zijn bij ongewijzigde voortzetting van de aanstelling en alsof zij op de leeftijd van 65 jaar zou stoppen met werken (hierbij wordt geen rekening gehouden met toekomstige loonsverhogingen).

1.2.

Met ingang van 1 januari 2012 is appellante eervol ontslag verleend op grond van FPU.

1.3.

Appellante heeft het college bij brief van 2 oktober 2013 - voor zover hier van belang - verzocht om een aanvulling op haar pensioen, omdat inmiddels uit een berekening van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) is gebleken dat haar pensioen aanzienlijk minder zal bedragen dan destijds werd ingeschat. Bij besluit van 11 maart 2014 heeft het college dit verzoek afgewezen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het verschil in berekening is terug te voeren op het zogenoemde ‘Amendement van Vendrik’, waarin onder meer is geregeld dat als men vóór de leeftijd van 65 jaar gebruik maakt van de FPU en tot die tijd feitelijk doorwerkt, een deel van de niet genoten FPU-uitkering wordt overgeheveld naar het ouderdomspensioen. Hiervan is in dit geval geen sprake, nu bij de berekeningen voor de overeenkomst is uitgegaan van een (fictieve) uitdiensttreding óp de leeftijd van 65 jaar. Daarnaast betreft het Vendrik-effect een voordeel voor het feitelijk, en niet fictief, langer doorwerken.

1.4.

Bij besluit van 3 juni 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 11 maart 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante niet heeft onderbouwd dat de bedoeling van partijen ook zag op compensatie van het zogeheten Vendrik-effect. Het had op de weg van appellante, dan wel haar advocaat, gelegen om dit effect in de besprekingen over de te treffen financiële regeling in te brengen. Het beroep van appellante op dwaling kan voorts niet slagen, aangezien zij uit hoofde van haar (vorige) functie op de hoogte was van het bestaan van het Vendrik-effect en zij bovendien rechtskundige bijstand had.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het college en de rechtbank de overeenkomst te restrictief hebben uitgelegd, door in die overeenkomst niet begrepen te achten dat zij recht heeft op compensatie voor het mislopen van het Vendrik-effect. Totaal onaannemelijk is de veronderstelling van het college, dat appellante bij ongewijzigde voortzetting van de aanstelling tot 65 jaar geen gebruik zou hebben gemaakt van de FPU-uitruil kort voor dat moment, namelijk op de leeftijd van 64 jaar en 11 maanden, gelet op het aanzienlijke financiële voordeel daarvan. Zij ging ervan uit dat de pensioenschade volledig gecompenseerd zou worden en dat alle relevante scenario’s door PROambt waren geanalyseerd. Voorts is, anders dan voor toekomstige loonsverhogingen, in de overeenkomst geen expliciete uitzondering opgenomen voor het voordeel van de FPU-uitruil dat appellante bij doorwerken tot het pensioen zou kunnen bereiken. Bovendien heeft de rechtbank ten onrechte het beroep van appellante op dwaling gepasseerd. Gezien het onvolledige advies van PROambt hebben partijen een onvolledige voorstelling van zaken gekregen. Dit kan aan het college worden toegerekend, omdat het college PROambt heeft ingeschakeld. Appellante mocht op de deskundigheid van dat adviesbureau afgaan.

3.2.

Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd en bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

4.1.

De afspraken in de vaststellingsovereenkomst over de beëindiging van het ambtelijk dienstverband worden volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 13 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8812) aangemerkt als een nadere regeling van de uitoefening van de aan het college toekomende ontslagbevoegdheid. Aan zo'n ontslagregeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid, dat zowel voor het bestuursorgaan als voor de ambtenaar geldt. Dit kan anders zijn als sprake is van wilsgebreken of als zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat volledige nakoming van de afspraken niet (meer) in redelijkheid kan worden verlangd. Voorts geldt volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 5 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:290) dat het bij de uitleg van een overeenkomst zoals hier aan de orde is, niet uitsluitend aankomt op de bewoordingen van wat daarin is bepaald, maar ook op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op wat zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.2.

Op de ingangsdatum van het ontslag was appellante 62 jaar en ruim 9 maanden oud. Uit de bewoordingen van de overeenkomst blijkt dat partijen zijn overeengekomen om de vermindering van inkomsten en pensioenopbouw te compenseren, waarbij uitgegaan is van (fictief) doorwerken tot de 65-jarige leeftijd. Niet in geschil is dat daadwerkelijk volledige compensatie tot 65 jaar en volledige pensioenopbouw heeft plaatsgevonden conform de overeenkomst. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de overeenkomst redelijkerwijs geacht kan worden zich mede uit te strekken over de door appellante gewenste compensatie voor het feit dat zij door de eerdere beëindiging van het dienstverband niet kan profiteren van het Vendrik-effect. De Raad beantwoordt deze vraag, met de rechtbank en het college, ontkennend; hij heeft daartoe het volgende van belang geacht.

4.2.1.

In de overeenkomst is uitdrukkelijk bepaald dat appellante ontslag wegens FPU verzoekt per de vroegst mogelijke ingangsdatum; indicatief (en daadwerkelijk gerealiseerd)

1 januari 2012. Zoals de Raad eerder in een dergelijk geval heeft overwogen (uitspraak van

25 juni 2009, ECLI:NL:CRVB: 2009:BJ2051) is uit die bepaling af te leiden dat partijen destijds de bedoeling hebben gehad dat appellante zo spoedig mogelijk gebruik zou maken van de FPU-regeling en niet dat zij de vrijheid zou hebben zelf dat moment te kiezen. Dit stemt overeen met hetgeen partijen ter zitting van de Raad over hun intenties hebben verklaard. Het college hechtte eraan dat - mede vanwege de politieke gevoeligheid van constructies waarbij hoge ambtenaren in dienst blijven zonder nog een arbeidsprestatie voor de gemeente te hoeven leveren - appellante daadwerkelijk per de vroegst mogelijke ingangsdatum ontslag nam, waarbij ook een rol gespeeld heeft dat appellante door het inzetten van haar FPU ook zelf een financiële bijdrage leverde aan de getroffen regeling. Appellante wilde volgens haar verklaring het college hierin ter wille zijn, ook al zou zij liever haar loopbaan op detacheringsbasis bij een andere werkgever willen voortzetten; een constructie waar de gemeente echter niet aan wilde meewerken. De Raad begrijpt de afweging van appellante aldus dat zij in de gegeven situatie de financiële garanties die de overeenkomst haar bood vond opwegen tegen het bezwaar dat zij niet langer zelf het moment kon kiezen waarop zij haar werkzaamheden zou beëindigen en met FPU (of met pensioen) zou gaan.

4.2.2.

Ook anderszins bieden de formuleringen in de overeenkomst naar het oordeel van de Raad geen grond om aan appellante het Vendrik-voordeel toe te kennen. Dat in de overeenkomst geen expliciete uitzondering voor het Vendrik-voordeel is opgenomen (terwijl toekomstige loonsverhogingen wel expliciet zijn uitgezonderd) kan bezwaarlijk als argument gelden. Nog afgezien van het gegeven dat partijen bij het opstellen van de overeenkomst in het geheel niet aan dit voordeel hebben gedacht, lag het gelet op de bedoeling van partijen dat appellante zo spoedig mogelijk gebruik zou maken van de FPU-regeling niet voor de hand in de overeenkomst een expliciete uitzondering voor het Vendrik-voordeel op te nemen. Wat betreft de door appellante bepleite ruime uitleg van “doorwerken tot de 65-jarige leeftijd” heeft de Raad eerder overwogen (uitspraak van 19 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:453) dat een formulering in een vaststellingsovereenkomst als “doorwerken tot 65-jarige leeftijd” niet tevens kan inhouden “doorwerken tot 64 jaar en 11 maanden”, omdat de situatie van doorwerken tot de pensioenleeftijd (zoals die destijds gold) een wezenlijk andere was dan doorwerken tot 64 jaar en 11 maanden, waarbij sprake is van een situatie dat ook FPU moet worden opgenomen.

4.2.3.

Appellante kan niet worden gevolgd in haar stelling dat aan het college kan worden toegerekend dat PROambt slechts twee scenario’s heeft geschetst: FPU per 1 januari 2012 en 100% doorwerken tot 1 april 2014 en dat zij - zelf geen materiedeskundige zijnde - op de deskundigheid van PROambt heeft mogen afgaan. Het college heeft terecht gewezen op eerdere rechtspraak (uitspraak van 26 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7533) waarin de Raad heeft overwogen dat aan door de betrokkene gestelde ondeskundigheid op het gebied van pensioen geen betekenis kan toekomen en dat het op de weg van de betrokkene lag zich ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voldoende te laten voorlichten over hetgeen hij in het kader van het treffen van een regeling van het bestuursorgaan wilde krijgen en hetgeen hij per slot overeenkwam. In het geval van appellante is te minder reden om betekenis toe te kennen aan de door haar gestelde ondeskundigheid, nu zij de onderhandelingen werd bijgestaan door een advocaat, nu zij en haar advocaat geen gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid om op de aan PROambt voorgelegde vraagstelling of althans op de door PROambt gekozen scenario’s te reageren, en nu appellante in de periode waarin zij

[functie 2] was betrokken is geweest bij vertrekregelingen waarbij het Vendrik-effect een rol speelde. De rechtbank heeft hieruit op goede gronden geconcludeerd dat het op de weg van appellante en haar advocaat lag het Vendrik-effect in de besprekingen in te brengen. Nu zij dat heeft nagelaten draagt appellante daarvan de gevolgen. Eveneens terecht heeft de rechtbank geconcludeerd dat het beroep dat appellante heeft gedaan op dwaling als wilsgebrek niet kan slagen, nu er bij haar geen sprake was van onwetendheid over het Vendrik-effect. Dat appellante, zoals zij heeft verklaard, een abstract denkend type is, maakt niet dat zij haar eigen verantwoordelijkheid om zich voldoende te laten voorlichten op het college kan afwentelen.

4.3.

De Raad ziet ten slotte ook geen grond om te oordelen dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat redelijkerwijs in het voordeel van appellante zou moeten worden afgeweken van het bepaalde in de overeenkomst. In het bijzonder kan de Raad appellante niet volgen in haar stelling dat het evident is dat partijen, als zij zich ten tijde van de onderhandelingen bewust waren geweest van het Vendrik-effect, vanwege de financiële voordelen daarvan voor die optie gekozen zouden hebben. De Raad kan er niet aan voorbijzien dat het college heeft verklaard dat zijn voorkeur om politieke redenen uitging naar een ontslag op de kortst mogelijke termijn, en dat de gekozen constructie door het college als financieel aantrekkelijker werd beschouwd dan de variant van doorwerken tot 65 jaar, omdat appellante door het inzetten van haar FPU ook een eigen bijdrage leverde aan de financiering. Voorts heeft het college er niet ten onrechte op gewezen dat achteraf ook niet met zekerheid is vast te stellen of appellante er niet voor zou hebben gekozen af te zien van het Vendrik-voordeel in ruil voor twee jaar extra vrije tijd.

4.4.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.T. van den Corput en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2016.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) L.L. van den IJssel

ew