Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4190

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
03-11-2016
Zaaknummer
15/3644 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korten bruto pensioen op de WW-uitkering. Artikel 34 van de WW en het AIB bieden geen aanknopingspunten voor de stelling van appellant dat de

Zvw-bijdrage in mindering zou moeten worden gebracht op het bruto pensioen. Het feit dat appellant inkomensverlies lijdt is – gezien de geldende regelgeving – een (onbedoeld) gevolg van zijn eigen keuze het prepensioen uit te laten keren. Indien appellant het niet eens is met de wet en de lagere regelgeving ter zake zal hij zich tot de wetgever dienen te wenden.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 34
Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen
Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen 3:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-1103
USZ 2016/421
PJ 2017/25

Uitspraak

15/3644 WW

Datum uitspraak: 26 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 mei 2015, 15/226 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C. van Hout hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Hout. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is tot 1 september 2013 werkzaam geweest bij [werkgever 1]. Met ingang van 2 september 2013 heeft het Uwv appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Daarnaast ontving appellant vanaf september 2013 een tijdelijk ouderdomspensioen tot zijn 65 jarige leeftijd (prepensioen) van de Stichting pensioenfonds KPN.

1.2.

Appellant heeft van 14 april 2014 tot en met 2 november 2014 gewerkt bij [werkgever 2]. In verband hiermee heeft het Uwv het recht op WW-uitkering van appellant per 14 april 2014 beëindigd. Op 26 oktober 2014 heeft appellant een WW-uitkering aangevraagd.

1.3.

Bij besluit van 28 oktober 2014 heeft het Uwv appellant met ingang van 3 november 2014 een nieuw recht op WW-uitkering toegekend en is de eerder toegekende WW-uitkering gedeeltelijk herleefd. Het Uwv heeft het prepensioen van appellant op de WW-uitkering in mindering gebracht.

1.4.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Hij bestrijdt niet dat zijn prepensioen in mindering moet worden gebracht op zijn WW-uitkering. Appellant is het er niet mee eens dat hij nu zelf de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw-bijdrage) moet betalen, omdat hij hierdoor een onevenredig groot inkomensverlies lijdt. Appellant heeft gesteld dat indien hij uitsluitend een WW-uitkering zou ontvangen, het Uwv de Zvw-bijdrage zou betalen. In het geval van appellant wordt de Zvw-bijdrage door de Stichting Pensioenfonds KPN ingehouden op zijn bruto prepensioen. Volgens appellant dient het Uwv het bruto prepensioen na aftrek van de Zvw-bijdrage in mindering te brengen op zijn
WW-uitkering.

1.5.

Bij besluit van 18 december 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 oktober 2014 ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is in het Algemeen Inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) vastgelegd wat inkomen is. Hieruit volgt dat het Uwv het bruto pensioen moet korten op de WW-uitkering. De afdracht van premies staat hier los van.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank bieden artikel 34 van de WW en het AIB geen aanknopingspunten voor de stelling van appellant dat de
Zvw-bijdrage in mindering zou moeten worden gebracht op het bruto pensioen. Het feit dat appellant inkomensverlies lijdt is – gezien de geldende regelgeving – een (onbedoeld) gevolg van zijn eigen keuze het prepensioen uit te laten keren. Indien appellant het niet eens is met de wet en de lagere regelgeving ter zake zal hij zich tot de wetgever dienen te wenden.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant erkend dat op grond van artikel 34 van de WW en artikel 3:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de AIB het bruto prepensioen op zijn WW-uitkering in mindering moet worden gebracht. Appellant is echter van mening dat het Uwv in zijn geval dient af te wijken van deze wettelijke bepalingen, omdat hij hierdoor een onevenredig groot financieel nadeel lijdt. Appellant heeft daarbij een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, omdat bij werklozen die uitsluitend een WW-uitkering ontvangen de Zvw-bijdrage door het Uwv wordt betaald en niet ten laste komt van de WW-gerechtigde.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft tevens gewezen op de reactie van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op een vraag van een lid van de Tweede Kamer naar aanleiding van de aangevallen uitspraak, waaruit blijkt dat de minister geen aanleiding ziet om de wet- en regelgeving aan te passen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2014-2015, Aanhangsel van de Handelingen, 2700).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar rechtsoverweging 7 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Partijen verschillen er in hoger beroep niet meer over van mening dat het Uwv op grond van artikel 34 van de WW en artikel 3:5, eerste lid, aanhef en onder a, van het AIB gehouden is om het bruto bedrag aan prepensioen dat appellant heeft ontvangen van de Stichting Pensioenfonds KPN in mindering te brengen op appellants WW-uitkering. Op grond van deze wettelijke bepalingen is er geen ruimte om het prepensioen pas na aftrek van de Zvw-bijdrage in mindering te brengen op de WW-uitkering.

4.3.

De door appellant geconstateerde ongelijkheid in behandeling tussen hemzelf en degene die uitsluitend een WW-uitkering ontvangt, vindt zijn grondslag in de wijze van financiering van de Zvw. Sinds de invoering van de Wet uniformering loonbegrip is het Uwv, als inhoudingsplichtige, voor WW-gerechtigden bovenop de bruto WW-uitkering een
Zvw-bijdrage verschuldigd terwijl in het geval van appellant de Zvw-bijdrage door het pensioenfonds wordt ingehouden op zijn bruto prepensioen en daarmee de Zvw-bijdrage over dat prepensioen ten laste van hemzelf komt. De regeling van de afdracht van de Zvw-bijdrage staat echter los van het bepaalde in artikel 34 van de WW en het AIB zodat de door appellant gestelde ongelijke behandeling en het gestelde financiële nadeel niet voortvloeien uit de toepassing van die wettelijke bepalingen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.

4.4.

Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak;

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en C.C.W. Lange en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2016.

(getekende) H.G. Rottier

(getekende) J.C. Borman

NW