Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4185

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2016
Datum publicatie
03-11-2016
Zaaknummer
16/2569 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet terugkomen van het besluit. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-1105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2569 WAO

Datum uitspraak: 2 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
19 april 2016, 15/4731 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.E. van Rossem, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een aanvullend hoger beroepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Rossem. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft vanaf 2 augustus 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen wegens rugklachten en
nek-/schouderpijn, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

Bij besluit van 19 oktober 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 15 december 2004 ingetrokken, omdat zij per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Bij besluit van
29 juni 2005 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Appellante heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit van 29 juni 2005, zodat dit besluit in rechte is komen vast te staan.

1.3.

Bij brief van 12 februari 2015 heeft appellante het Uwv verzocht terug te komen van een besluit van 29 juni 2011. Uit telefonisch overleg tussen het Uwv en de gemachtigde van appellante is gebleken dat dit verzoek moet worden opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 29 juni 2005. Appellante heeft ter onderbouwing van haar verzoek een rapport overgelegd van radioloog H.W. Slis van 8 september 2014. Volgens dit rapport is bij een MRI-onderzoek van de wervelkolom op 4 september 2014 gebleken dat bij appellante sprake is van facethypertrofie en een wervelkanaalstenose L3-L4.

1.4.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante heeft een onderzoek plaatsgevonden door W.J. Reilman, arts bij het Uwv. In zijn rapport van 1 mei 2015, voor akkoord getekend door verzekeringsarts W. Winkel, is geconcludeerd dat uit de aangeleverde informatie niet evident blijkt dat sprake is van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven tot herziening. Reilman merkt op dat de door appellante aangeleverde medische informatie van veel recentere datum is dan het beoordelingsmoment en dat uit dossierstudie blijkt dat in 2004 grondig onderzoek is verricht door de verzekeringsarts van het Uwv.

1.5.

Bij besluit van 7 mei 2015 heeft het Uwv besloten om niet terug te komen van het besluit van 29 juni 2005, omdat uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die ertoe leiden dat de beslissing van 29 juni 2005 onjuist zou zijn.

1.6.

Bij besluit van 20 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 mei 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1), vastgesteld dat uit de strekking van het verzoek van appellante van 12 februari 2015 en hetgeen ter zitting is behandeld niets anders kan volgen dan dat appellante alleen heeft beoogd dat wordt teruggekomen van het besluit van 19 oktober 2004 met ingang van de datum waarop dat besluit zag. Na een weergave van het toetsingskader in zaken als deze, waarbij het bestuursorgaan op grond van (analoge toepassing van) artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt verzocht om terug te komen van een in rechte vaststaand besluit, heeft de rechtbank geoordeeld dat het door appellante op 30 maart 2016, in de beroepsfase, overgelegde medisch paspoort buiten beschouwing wordt gelaten, omdat het volgens vaste rechtspraak op de weg ligt van degene die vraagt om van een besluit terug te komen, de voor de besluitvorming benodigde gegevens uiterlijk in de bezwaarfase ter tafel te brengen. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar stelling dat niet is gebleken dat de informatie van radioloog Slis is beoordeeld door een verzekeringsarts. Uit het rapport van arts Reilman, voor akkoord getekend door verzekeringsarts Winkel, blijkt dat het rapport van radioloog Slis is betrokken bij de beoordeling. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat appellante geen gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Volgens de rechtbank kan de medische informatie van radioloog Slis weliswaar nieuwe inzichten geven in de medische situatie van appellante op of rondom 4 september 2014, maar uit deze informatie blijkt geenszins dat deze bevindingen – mede – met terugwerkende kracht betrekking hebben op de medische toestand van appellante per
15 december 2004.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat voorbij wordt gegaan aan het feit dat de door haar in bezwaar overgelegde medische informatie van radioloog Slis wel degelijk (mede) ziet op haar gezondheidstoestand per 15 december 2004. Voorts heeft de rechtbank volgens appellante ten onrechte het in beroep overgelegde medisch paspoort buiten beschouwing gelaten, omdat dit (mede) betrekking heeft op de periode van het besluit waarvan herziening wordt gevraagd. Appellante acht het voorts evident onjuist dat het Uwv destijds, in 2004, een zorgvuldige inschatting heeft gemaakt van haar belastbaarheid. Ter zitting heeft appellante daaraan toegevoegd dat het Uwv naar aanleiding van haar verzoek in 2014 geen medisch inhoudelijke beoordeling heeft verricht.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Nu appellante met haar verzoek uitsluitend heeft beoogd dat met (analoge) toepassing van artikel 4:6 van de Awb wordt teruggekomen van het in rechte vaststaande besluit van
19 oktober 2004 en met dat verzoek niet tevens herziening voor de toekomst (duuraanspraak) is beoogd, heeft de rechtbank terecht het pas in de beroepsfase overgelegde medisch paspoort van appellante buiten beschouwing gelaten. Immers, degene die vraagt om terug te komen van een in rechte vaststaand besluit dient de voor de besluitvorming benodigde gegevens uiterlijk in de bezwaarfase over te leggen (uitspraak van de Raad van 13 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2045).

4.2.

Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank tot haar oordeel hebben geleid worden onderschreven. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd wordt voorts het volgende overwogen.

4.3.

Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de door appellante in bezwaar overgelegde rapport van radioloog Slis geen nieuwe feiten of omstandigheden bevat die aanleiding geven terug te komen van het besluit van 19 oktober 2004. Appellante heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat uit dit rapport volgt dat de in 2014 verrichte MRI met conclusie facethypertrofie en wervelkanaalstenose L3-L4 ook op haar medische toestand op 15 december 2004 ziet. Voort blijkt uit het rapport van Reilman en Winkel van
1 mei 2015 dat het rapport van radioloog Slis wel degelijk medisch inhoudelijk is beoordeeld. Daarbij is met juistheid overwogen dat de recente medische informatie, waarmee niet anders bedoeld kan zijn dan het rapport van radioloog Slis van 8 september 2014, niets zegt over de toestand van appellante in 2004.

4.4.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2016.

(getekend) E. Dijt

(getekend) B. Dogan

SS