Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4172

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2016
Datum publicatie
03-11-2016
Zaaknummer
15/2152 WOJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar is terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 Awb. Er is sprake van een ouder die is ontheven van het ouderlijk gezag over de jeugdige. Dit betekent dat appellante niet langer de, in artikel 1:247, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek opgenomen, plicht en het recht heeft om de jeugdige te verzorgen en op te voeden, daaronder begrepen de zorg en verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van het kind en het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Nu de bij het besluit geïndiceerde zorg ziet op de verzorging en opvoeding van de jeugdige is het belang van appellante hierbij niet rechtstreeks betrokken.

Wetsverwijzingen
Jeugdwet
Jeugdwet 11.7
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 4:17
Algemene wet bestuursrecht 7:14
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Wet op de rechterlijke organisatie
Wet op de rechterlijke organisatie 53
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 247
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2016/399
NJB 2016/2083
AB 2016/437 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
RFR 2017/30
RSV 2017/27
USZ 2017/30
FJR 2018/29.5
PFR-Updates.nl 2017-0095
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2152 WOJ

Datum uitspraak: 2 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 maart 2015, 14/8995 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) als rechtsopvolger van Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland (bureau jeugdzorg)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij beslissing van 18 mei 2016 heeft een andere kamer van de Raad in enkelvoudige samenstelling besloten dat de door het college verzochte kennisneming van een ingediend stuk als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gerechtvaardigd is. Dit stuk bevat een bericht van Jeugdbescherming West over de woonplaats van de jeugdige. Appellante heeft geen toestemming verleend om mede op grondslag van dit stuk uitspraak te doen, zodat dit stuk buiten beschouwing blijft.

De rechtbank heeft op 25 augustus 2016 een vraagstelling van de Raad van 22 juli 2016 beantwoord.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 16/2322, plaatsgevonden op

21 september 2016. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E. Goosens en mr. S.C.M. Brondijk‑Kossen. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is de moeder van [naam jeugdige] (jeugdige), geboren [in]

1997. In maart 2004 is de jeugdige onder toezicht gesteld en in december 2005 is hij uit huis geplaatst. Sindsdien woont hij in een pleeggezin. Bij beschikking van

24 april 2009 van de rechtbank Utrecht, is appellante uit het gezag over de jeugdige ontheven en is bureau jeugdzorg tot voogdes benoemd. Het Gerechtshof Amsterdam heeft deze beschikking bij beschikking van 20 april 2010 bekrachtigd.

1.2.

Bij besluit van 18 april 2014 (primair besluit) heeft bureau jeugdzorg de jeugdige voor de duur van twee jaar geïndiceerd voor jeugdhulp thuis individueel, voor jeugdhulp accommodatie zorgaanbieder individueel en groep, en voor 24-uurs verblijf in pleeggezin. Appellante heeft bij brief van 19 mei 2014 tegen dit besluit bij bureau jeugdzorg bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 15 september 2014 (bestreden besluit) heeft bureau jeugdzorg het bij 1.2 genoemde bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 Awb.

2.1.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Volgens haar is de procedure onzorgvuldig gevoerd. In dat verband voert zij onder meer aan dat het bestreden besluit niet tijdig is genomen. Het indicatiebesluit moet daarom als vervallen worden beschouwd.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat bureau jeugdzorg te laat op het bezwaar heeft beslist. Het rechtsgevolg van het niet in acht nemen van de beslistermijn is dat het bestuursorgaan een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is en niet zoals appellante stelt, het komen te vervallen van het primaire besluit. Voor zover appellante heeft bedoeld te betogen dat zij vanwege het niet tijdig beslissen aanspraak maakt op een dwangsom, heeft de rechtbank geoordeeld dat zij daarvoor gelet op het bepaalde in artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb in samenhang bezien met artikel 7:14 van de Awb niet in aanmerking komt. Dit omdat bureau jeugdzorg het bezwaar van appellante terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat bureau jeugdzorg appellante op goede gronden niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het primaire besluit heeft aangemerkt, omdat dit besluit appellante niet rechtstreeks raakt.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Ter zitting heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat Jeugdbescherming West als rechtsopvolger van bureau jeugdzorg moet worden aangemerkt en niet het college. Voorts meent appellante dat het beroep in eerste aanleg ten onrechte door de bestuursrechter is behandeld in plaats van door de kinderrechter. Verder meent appellante dat de rechtbank het primaire besluit wel vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar vervallen had moeten verklaren of een dwangsom had moeten verbeuren als dat volgens de rechtbank het gevolg zou zijn van het niet tijdig beslissen. Tot slot bestrijdt appellante het oordeel van de rechtbank dat zij geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb is. Volgens haar volgt uit de bloedverwantschap in de eerste graad met de jeugdige dat zij wel belanghebbende is.

3.2.

In verweer heeft het college aangevoerd ten onrechte als rechtsopvolger van bureau jeugdzorg te zijn aangemerkt. Inhoudelijk heeft het college bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet op de jeugdzorg ingetrokken en is de Jeugdwet in werking getreden. Uit artikel 11.7, tweede lid, van de Jeugdwet volgt dat als sprake is van een besluit genomen door bureau jeugdzorg, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft in de plaats treedt van bureau jeugdzorg. Zie hierover ook de uitspraak van de Raad van 6 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1305.

4.1.2.

In de in het procesverloop genoemde beslissing van de Raad van 18 mei 2016 op het verzoek van het college om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb heeft de Raad bij het ontbreken van informatie over de woonplaats van de jeugdige, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar appellante woonplaats heeft, aangemerkt als rechtsopvolger van bureau jeugdzorg. Wat betreft het stuk waaruit volgens het college blijkt waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, is het verzoek om beperkte kennisneming, gelet op het belang van de jeugdige, bij genoemde beslissing toegewezen. Appellante en het college hebben niet aangegeven welk college van burgemeester en wethouders volgens hen als rechtsopvolger van bureau jeugdzorg moet worden aangemerkt. Hiermee is een patstelling ontstaan. Onder deze omstandigheden is er geen aanknopingspunt om van een andere woonplaats dan die van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar appellante zelf woonplaats heeft, uit te gaan. Partijen worden daarom niet gevolgd in hun standpunt dat het college niet als rechtsopvolger van bureau jeugdzorg kan worden aangemerkt.

4.2.1.

Artikel 53 van de Wet op de rechterlijke organisatie bepaalt:

“1. Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van kinderzaken enkelvoudige kamers en bepaalt de bezetting daarvan.

2. Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer voor kinderzaken draagt de titel van kinderrechter.”

4.2.2.

Artikel 8, zevende lid, van Bijlage 2 van de Awb, bepaalt dat tegen een beschikking, gegeven op grond van artikel 5, tweede lid, of 6, vierde lid, van de Wet op de jeugdzorg, beroep kan worden ingesteld bij de kinderrechter binnen het rechtsgebied waarvan de stichting haar zetel heeft.

4.2.3.

Het Bestuursreglement van de rechtbank Den Haag bepaalt in welke organisatorische eenheden het gerecht is onderverdeeld, op welke wijze de bezetting van de teams wordt vastgesteld, welke categorieën zaken door elk van de teams worden behandeld en dat teams in afwijking hiervan tijdelijk kunnen worden belast met de behandeling van een zaak of zaken uit een ander team.

4.2.4.

Uit de bij 4.2.1 en 4.2.2 genoemde wettelijke bepalingen en het bij 4.2.3 genoemde Bestuursreglement volgt dat de aangevallen uitspraak is gedaan door de kinderrechter als bestuursrechter. De beroepsgrond van appellante dat de zaak ten onrechte niet door de kinderrechter is behandeld, faalt.

4.3.

De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat appellante niet kan worden gevolgd in haar standpunt dat het niet tijdig beslissen op het bezwaar met zich zou brengen dat het primaire besluit is komen te vervallen. Ook heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat appellante geen aanspraak maakt op een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. De Raad onderschrijft de overwegingen die de rechtbank aan deze oordelen ten grondslag heeft gelegd en verwijst daar naar.

4.4.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat bureau jeugdzorg appellante op goede gronden niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb heeft aangemerkt. Het standpunt van appellante dat sprake is van bloedverwantschap in de eerste graad en dat zij daarom belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb, wordt niet gevolgd. De Raad wijst hierbij op de bij 4.1.1 genoemde uitspraak van 6 april 2016. In het geval van appellante is ten tijde hier van belang, evenals in genoemde uitspraak, sprake van een ouder die is ontheven van het ouderlijk gezag over de jeugdige. Dit betekent dat appellante niet langer de, in artikel 1:247, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek opgenomen, plicht en het recht heeft om de jeugdige te verzorgen en op te voeden, daaronder begrepen de zorg en verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van het kind en het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Nu de bij het besluit van 18 april 2014 geïndiceerde zorg ziet op de verzorging en opvoeding van de jeugdige is het belang van appellante hierbij niet rechtstreeks betrokken.

4.5.

Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en M.F. Wagner en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2016.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) I.G.A.H. Toma

NK