Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4165

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2016
Datum publicatie
03-11-2016
Zaaknummer
14/2686 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering pgb. Niet voldaan verantwoordingsverplichting. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2686 AWBZ

Datum uitspraak: 2 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

2 april 2014, 13/2873 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.J.H. Habers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Habers en zijn vader [vader] . Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G.M. Bosma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het Zorgkantoor heeft aan appellant op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor het jaar 2012 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 32.580,34 (netto).

1.2.

Het Zorgkantoor heeft aan appellant op grond van de Rsa voor het jaar 2013 een pgb verleend van € 38.460,05 (netto).

1.3.

Appellant heeft met een verantwoordingsformulier voor de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 juni 2012 bedrag verantwoord van € 12.900,-. Appellant heeft opgegeven dit bedrag betaald te hebben aan Pre-Active. Met een verantwoordingsformulier voor de periode van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2012 heeft appellant een bedrag verantwoord van € 17.427,50. Appellant heeft opgegeven een bedrag van € 14.300 betaald te hebben aan

Pre-Active en een bedrag van € 3.127,- aan Stichting thuiszorg BRS.

1.4.

Bij besluit van 2 juli 2013 heeft het Zorgkantoor de verlening van het pgb over de jaren 2012 en 2013 ingetrokken, omdat appellant onvoldoende heeft gereageerd op verzoeken van het Zorgkantoor om gegevens aan te leveren ten behoeve van een intensieve controle.

1.5.

Bij afzonderlijke besluiten van 4 juli 2013 heeft het Zorgkantoor de aan appellant betaalde voorschotten over 2012 en 2013 ten bedrage van € 32.580,32 en € 19.071,97 teruggevorderd.

1.6.

Bij besluit van 7 november 2013 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 2 juli 2013 en 4 juli 2013 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op het standpunt dat bij de beoordeling van de stukken die zijn ontvangen over 2012 een aantal onregelmatigheden is geconstateerd en dat er geen stukken over 2013 zijn ontvangen. Bij de afweging van de belangen dienen de belangen van de budgethouder te wijken voor die van het Zorgkantoor.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant zowel over 2012 als over 2013 onvoldoende verantwoording heeft afgelegd over de besteding van de verleende pgb’s. Ten aanzien van de in 2012 door appellant gestelde door Pre-Active verleende zorg heeft de rechtbank geoordeeld dat de overgelegde nota’s niet overeenstemmen met de urenregistratie, waarbij de urenregistratie op den duur niet meer gespecificeerd is. Verder corresponderen de betalingen op de overgelegde bankafschriften niet met de overgelegde nota’s en is er voorts sprake van contante betalingen die volgens de Rsa niet meer zijn toegestaan. De rechtbank heeft het Zorgkantoor verder gevolgd in het standpunt dat ondanks dat de zorg volgens de zorgovereenkomst voor een variabel aantal uren in rekening werd gebracht, in maart 2012 al is betaald voor de maanden april tot en met juli 2012, dat onder andere voor de maand mei 2012 drie keer is betaald en dat hetgeen verantwoord is en hetgeen in rekening is gebracht niet met elkaar in overeenstemming is. Daarbij komt dat het totaal betaalde bedrag niet overeenkomt met het totaalbedrag van de nota’s en dat de periodes waarop de nota’s zien niet overeenstemmen met de bankafschriften die op die periodes betrekking hebben. Ten aanzien van de door appellant gestelde door BKR (lees:BRS) in 2012 en 2013 verleende zorg komt de rechtbank tot het oordeel dat in de zorgovereenkomst geen tarief is opgenomen en dat er geen gespecificeerde nota’s zijn overgelegd. Uit de door appellant overgelegde bankafschriften is niet duidelijk waarop de daarop vermelde betalingen betrekking hebben. In hetgeen appellant heeft aangevoerd – waaronder de omstandigheid dat appellant onder beschermingsbewind is geplaatst – heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het Zorgkantoor bij afweging van de daarbij betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn besluiten tot intrekking en terugvordering.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat over de periode 2012 en 2013 aantoonbaar zorg is verleend door de zorgverleners en dat hiervoor is betaald. Dat de verantwoording niet uitblinkt in nauwkeurigheid vindt mede zijn oorzaak in de scheiding van zijn ouders, de aard van zijn handicap en de afhankelijkheid van zijn ouders in zowel de uitbesteding van de hulpvraag als de administratie en de verantwoording ervan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

In artikel 2.6.9, van de Rsa, is opgenomen welke verplichtingen aan de verzekerde bij de verlening van een pgb worden opgelegd.

4.1.2.

Ingevolge artikel 2.6.12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Rsa kan de verleningsbeschikking worden ingetrokken met ingang van de dag waarop de verzekerde de bij of krachtens artikel 2.6.9 van de Rsa opgelegde verplichtingen niet nakomt.

4.1.3.

Ingevolge artikel 4:95 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen onverschuldigd betaalde voorschotten worden teruggevorderd.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen met betrekking tot de verantwoording. Ingevolge de onder 4.1 genoemde wettelijke bepalingen is het Zorgkantoor dan ook bevoegd de verlening van het pgb voor de jaren 2012 en 2013 in te trekken en de onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen.

4.3.

Het Zorgkantoor dient de discretionaire bevoegdheid om het pgb in te trekken uit te oefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging. Daarbij moet een afweging worden gemaakt tussen het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting en de gevolgen van de intrekking voor de ontvanger, waarbij tevens de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de ontvanger kan worden verweten van belang kan zijn.

4.4.

De beroepsgrond van appellant dat het Zorgkantoor bij de uitoefening van deze discretionaire bevoegdheid in de door hem aangevoerde omstandigheden aanleiding had moeten zien om van intrekking af te zien, slaagt niet.

4.5.

Daarbij staat voorop dat op grond van de door appellant overgelegde stukken niet kan worden vastgesteld dat hij in 2012 en 2013 zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten heeft ontvangen en betaald. Het zorgkantoor heeft terecht geweigerde betalingen aan Pre-Active en BRS in het kader van de belangenafweging te accepteren voor de verantwoording. Hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent zijn persoonlijke omstandigheden, zoals de scheiding van zijn ouders en zijn afhankelijkheid van hen, hoefde voor het Zorgkantoor geen aanleiding te vormen om af te zien van intrekking van het verleende pgb.

4.6.

Hetgeen appellant heeft aangevoerd over de aard van zijn handicap, maakt niet dat het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terug verordening heeft kunnen overgaan.

4.7.

Gelet op het hiervoor overwogene slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en J.P.A. Boersma en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2016.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) L.L. van den IJssel

SS