Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4149

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2016
Datum publicatie
01-11-2016
Zaaknummer
15/3322 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:2401, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om schadevergoeding. Niet gebleken van enig oorzakelijk verband tussen een onrechtmatig besluit van het Uwv en de door appellant gestelde schade. Weigering op goede gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-1104

Uitspraak

15/3322 WAO

Datum uitspraak: 28 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
9 april 2015, 14/8468 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2016. Appellant werd vertegenwoordigd door mr. De Jonge en L.H. Langenberg. Het Uwv, is met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 18 november 2004 heeft het Uwv de uitkering die appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontving met toepassing van artikel 44 van de WAO beëindigd met ingang van 14 maart 2003 omdat hij in staat is zijn inkomsten duurzaam te verwerven. Hierdoor is hij met ingang van deze datum minder dan 15% arbeidsongeschikt.

1.2.

In 2006 heeft Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant herbeoordeeld. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft in een rapport van 20 juli 2006 vermeld dat er geen feiten en argumenten aanwezig zijn om een toename van klachten en beperkingen aan te nemen. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens in een rapport van 19 oktober 2006 aan de hand van geselecteerde voorbeeldfuncties berekend dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 15% is.

1.3.

Na een melding van appellant van 21 april 2011 dat hij met ingang van 1 januari 2011 toegenomen arbeidsongeschikt is heeft het Uwv bij besluit van 17 juni 2011 geweigerd appellant met toepassing van een verkorte wachttijd van vier weken een WAO-uitkering toe te kennen omdat hij niet binnen vijf jaar na datum toekenning of herziening van zijn uitkering toegenomen arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 28 juni 2011 heeft het Uwv weer geweigerd om appellant met toepassing van een verkorte wachttijd een WAO-uitkering toe te kennen, omdat voor hem een wachttijd van 104 weken geldt.

1.4.

Bij besluit van 13 juli 2011 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 juni 2011 ongegrond verklaard.

1.5.

Bij brief van 29 november 2011 heeft appellant verzocht om het besluit uit 2006 te herzien. Het Uwv heeft dit verzoek bij besluit van 13 december 2011 afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn op grond waarvan het besluit van

19 oktober 2006 dient te worden herzien.

1.6.

In een besluit van 5 maart 2012 heeft het Uwv alsnog geweigerd om appellant naar aanleiding van zijn melding destijds dat zijn gezondheid in 2006 is verslechterd een uitkering op grond van de WAO toe te kennen. In dit besluit wordt vermeld dat na de melding van appellant in 2006 ten onrechte geen besluit is genomen. Daarbij is vermeld dat appellant volgens de arts die hem in 2006 heeft onderzocht ziek is door een andere oorzaak en dat hij daarnaast op arbeidskundige gronden voor minder dan 15% arbeidsongeschikt blijft.

1.7.

Bij beslissing van 5 juli 2012 op het bezwaar tegen de besluiten van 13 december 2011 en 5 maart 2012 heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard omdat er op of na 20 oktober 2006 geen besluit is genomen over het recht op een uitkering op grond van de WAO. Het besluit van 13 december 2011 is ingetrokken en het besluit van 5 maart 2012 is gehandhaafd op de gewijzigde grond dat appellant in 2006 niet toegenomen arbeidsongeschikt was.

1.8.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 7 februari 2013 het beroep tegen het besluit van 13 juli 2011 gegrond verklaard voor zover in dit besluit niet is ingegaan op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 juni 2011, dit besluit in zoverre vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van 28 juni 2011 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 13 juli 2011 voor het overig ongegrond verklaard en het beroep tegen het besluit van 5 juli 2012 ongegrond verklaard. De Raad heeft deze uitspraak bij uitspraak van

31 oktober 2014 bevestigd.

2.1.

Bij brief van 10 januari 2014 heeft appellant het Uwv aansprakelijk gesteld voor door hem geleden schade ten bedrage van € 33.350,72. Dit is het bedrag dat Aegon van hem heeft teruggevorderd omdat Aegon van het Uwv heeft vernomen dat hij volledig is gerevalideerd en dat zijn WAO-uitkering met ingang van 14 maart 2003 is beëindigd. Daarbij heeft appellant het besluit van het Uwv van 13 juli 2011 als schadeveroorzakend besluit aangemerkt.

2.2.

Bij besluit van 11 april 2014 heeft het Uwv het verzoek om schadevergoeding afgewezen omdat er geen onrechtmatige besluitvorming van het Uwv is. Daarbij heeft het Uwv ten overvloede te kennen gegeven dat er geen causaal verband is tussen de

WAO-hiaat-verzekering van Aegon en de besluitvorming over het recht op een

WAO-uitkering.

2.3.

Appellant heeft beroep tegen dit besluit ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. Deze rechtbank heeft het beroepschrift ter behandeling als een bezwaarschrift doorgestuurd aan het Uwv. Bij besluit van 26 november 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 april 2014 ongegrond verklaard. Omdat de Raad bij zijn uitspraak van 31 oktober 2014 het beroep van appellant tegen de beweerdelijk onrechtmatige besluiten ongegrond heeft verklaard is er geen sprake van onrechtmatige besluitvorming.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat er gelet op de uitspraak van de Raad van 31 oktober 2014 geen onrechtmatige besluitvorming is en dat het Uwv het verzoek om schadevergoeding terecht heeft afgewezen. Over het verzoek om toepassing van artikel 4:126 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is overwogen dat dit artikel nog niet in werking is getreden en dat er daarnaast geen ruimte voor nadeelcompensatie is gelet op het gebonden karakter van de besluiten van het Uwv.

4.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de afwijzing door het Uwv van zijn aanvraag om een WAO-uitkering in 2011 onrechtmatig was omdat daarbij is miskend dat er in 2006 al een verergering is geclaimd die destijds niet tot een besluit heeft geleid. Pas op

5 maart 2012 heeft het Uwv een besluit genomen over het verzoek van 2006. Daarbij heeft hij ook in 2005 een verzoek om herbeoordeling gedaan. Appellant heeft erop gewezen dat de verzekeringsarts de verbetering in zijn gezondheidssituatie in 2004 nog niet duurzaam achtte. Op 18 november 2004 is hij met ingang van 13 maart 2003 minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht, terwijl bekend was dat hij na augustus 2003 toegenomen arbeidsongeschikt was. Volgens appellant is pas op 13 juli 2011 door het Uwv kenbaar gemaakt dat de inkomsten van appellant vanaf 14 maart 2003 met terugwerkende kracht als duurzaam werden beschouwd. Het is het complex van besluiten dat onrechtmatig is. Voorts heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het Uwv aan Aegon heeft doorgegeven dat hij gerevalideerd zou zijn terwijl er sprake is van een toename van de arbeidsongeschiktheid.

Ter zitting heeft appellant hieraan toegevoegd dat het besluit van 18 november 2004 onrechtmatig is.

4.2.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen onrechtmatig besluit aan te wijzen is. Voorts is naar voren gebracht dat uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat nadeelcompensatie niet ziet op een individueel geval.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Op grond van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 juli 2013.

5.2.

Bij de toetsing van een zelfstandig schadebesluit als het onderhavige zoekt de Raad aansluiting bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit; voorts komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0611).

5.3.

Er is niet gebleken van enig oorzakelijk verband tussen een onrechtmatig besluit van het Uwv en de door appellant gestelde schade (schade door een terugvordering van de verzekeringsmaatschappij). De Raad heeft in de uitspraak van 31 oktober 2014 de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 februari 2013, waarin is geoordeeld over de besluiten van 13 juli 2011 en 5 juli 2012, bevestigd. Daarmee is de rechtmatigheid van deze besluiten een gegeven. Aan deze besluiten ligt de medische beoordeling in 2006 mede ten grondslag.

5.4.

Tegen het besluit van 18 november 2004 heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. Dit betekent dat als uitgangspunt geldt dat het zowel naar de inhoud als naar de wijze van totstandkoming als rechtmatig heeft te gelden. Op grond van vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Hoge Raad van 11 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1649 en de uitspraak van de Raad van 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:437) is voor een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht slechts plaats als aan het voor rechtmatig houden van het besluit van 18 november 2004, gezien de bijzonderheden van het geval van appellant, klemmende bezwaren zijn verbonden. Er is niet gebleken van dusdanig bijzondere omstandigheden op grond waarvan gesteld zou kunnen worden dat dit besluit achteraf bezien onjuist is. De Raad wijst er daarbij op dat op grond van artikel 44, tweede lid, van de WAO, zoals dat destijds luidde, de toepassing van het bepaalde in het eerste lid ten hoogste plaatsvond over een aaneengesloten termijn van drie jaren, waarbij na afloop van deze termijn de verrichte arbeid waarvoor inkomsten zijn genoten werd aangemerkt als algemeen gangbare arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Bovendien is er ook tussen dit besluit uit 2004 en de terugvordering van Aegon in 2012 geen oorzakelijk verband gebleken.

5.5.

Volgens vaste rechtspraak, recentelijk blijkend uit de uitspraken van de Raad van

19 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1806, en 16 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3632, zijn bestuursorganen op grond van het beginsel van de 'égalité devant les charges publiques' gehouden tot compensatie van onevenredige − buiten het normale maatschappelijke risico vallende en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende − schade als gevolg van hun op de behartiging van het openbare belang gerichte optreden en ziet dit beginsel niet op een individueel geval. Het besluit tot weigering van een uitkering op grond van de WAO in verband met de geclaimde toename van arbeidsongeschiktheid in 2011, noch het besluit tot weigering van uitkering op grond van de WAO met betrekking tot geclaimde toename in 2006, noch het besluit tot beëindiging van de uitkering omdat appellant met ingang van 14 maart 2003 in staat was zijn inkomsten duurzaam te verwerven, strekt tot behartiging van het algemene belang, maar is beperkt tot het individuele geval van appellant.

5.6.

Het verzoek om vergoeding van de schade is dan ook op goede gronden geweigerd. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd met verbetering van gronden.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door L. Koper, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2016.

(getekend) L. Koper

(getekend) L.H.J. van Haarlem

IvR