Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4147

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
31-10-2016
Zaaknummer
16/512 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:6, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag zijn gelegd. Gronden hoger beroep, evenals in beroep, niet voorzien van medische onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-1089

Uitspraak

16/512 ZW

Datum uitspraak: 26 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 januari 2016, 15/2701 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2016. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een volledig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2.

Met ingang van 15 december 2013 heeft appellante zich ziek gemeld voor de functie van logistiek medewerker.

1.3.

Op 2 december 2014 heeft appellante het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Nadat deze arts had vastgesteld dat appellante met ingang van 4 december 2014 geschikt moet worden geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van logistiek medewerker, is de aan appellante op grond van de Ziektewet (ZW) toegekende uitkering met ingang van deze datum beëindigd. Het bezwaar van appellante tegen deze beëindiging is bij besluit van

17 maart 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 maart 2015 ten grondslag.

2. Naar aanleiding van het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep heeft de rechtbank overwogen dat onder ”zijn arbeid” in de zin van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW moet worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid, zijnde in dit geval de parttime functie van logistiek medewerker. Voorts is geoordeeld dat appellante terecht geschikt is geacht voor deze functie. Daartoe is overwogen dat de verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante als gevolg van haar buikklachten beperkingen heeft in die zin dat zij moet vermijden dat zij regelmatige zware fysieke arbeid met frequent tillen van zeer zware lasten verricht. Voorts heeft deze arts vastgesteld dat de onderarmklachten en de handklachten niet terug te voeren zijn op objectieve afwijkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich met deze conclusies van de verzekeringsarts kunnen verenigen en heeft voorts vastgesteld dat de belasting in het werk van logistiek medewerker voor 16 uur per week binnen de belastbaarheid van appellante blijft. De gronden van appellante zijn geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsartsen, waarbij de rechtbank in overweging heeft genomen, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, dat de subjectieve beleving van appellante van haar klachten niet beslissend is bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij haar zijn vast te stellen. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante met ingang van 4 december 2014 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering en heeft het beroep ongegrond verklaard.

3.1.

De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag zijn gelegd. Ook de Raad is van oordeel dat de verzekeringsartsen bij hun beoordeling een juist beeld van de medische situatie van appellante voor ogen hebben gehad en dat zij terecht met ingang van 4 december 2014 geschikt is geacht voor de functie van logistiek medewerker. In hoger beroep heeft appellante dezelfde gronden naar voren gebracht als in beroep zonder deze van een nadere medische onderbouwing te voorzien en deze kunnen dan ook niet tot een ander oordeel leiden.

3.2.

Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4. Voor een proceskostenveroordeling wordt geen aanleiding gezien.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2016.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) N. Veenstra

HD