Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4146

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
31-10-2016
Zaaknummer
15/4580 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De minister heeft, na verzoek in juni 2014, de ingangsdatum van de draagkracht vastgesteld op 1 juli 2014. Geen aanleiding van artikel 10a.7 van de Wsf 2000 af te wijken. Voor buitenlandse belastingplichtigen staat toegelicht op de DUO-website dat de debiteur de inkomensgegevens zelf aan de minister moet doorgeven. Geen strijd met continuantenregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2016/202

Uitspraak

15/4580 WSF

Datum uitspraak: 26 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

13 mei 2015, 15/568 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2016. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant lost al enige tijd zijn studieschuld bij de minister naar draagkracht af. In oktober 2012 is appellant geëmigreerd naar Frankrijk, waar hij een aantal jaren heeft gewoond.

1.2.

Omdat de minister van de Belastingdienst geen gegevens heeft verkregen op basis waarvan de draagkracht van appellant over 2014 kan worden vastgesteld, heeft de minister bij besluit van 6 januari 2014 vastgesteld dat appellant vanaf 1 januari 2014 maandelijks € 684,65 aan hem dient te betalen in verband met een studieschuld.

1.3.

Naar aanleiding van de ontvangst in juni 2014 van het formulier draagkrachtmeting 2014 heeft de minister bij besluit van 6 oktober 2014 de draagkracht van appellant voor 2014 berekend op basis van zijn inkomen over 2012 en vastgesteld dat appellant vanaf 1 juli 2014 niets van zijn (nog resterende) studieschuld hoeft terug te betalen.

1.4.

Bij besluit van 10 december 2014 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant, gericht tegen de in het besluit van 6 oktober 2014 bepaalde ingangsdatum van de draagkrachtvaststelling, welke datum volgens appellant dient te worden vastgesteld op

1 januari 2014, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de ingangsdatum van de draagkrachtvaststelling door de minister is vastgesteld in overeenstemming met artikel 10a.7, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Ten overvloede en ter toelichting voor appellant heeft de rechtbank opgemerkt dat appellant voor een tijdige vaststelling van zijn draagkracht tijdig een verzoek had moeten doen dan wel bezwaar had moeten maken tegen het bericht van 6 januari 2014. Het bericht van 6 januari 2014 is naar het laatstelijk bij de minister bekende adres gezonden en dit kan de minister niet worden aangerekend indien appellant niet aannemelijk maakt dat hij een adreswijziging heeft doorgegeven.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij het besluit van 6 januari 2014 nooit heeft ontvangen, omdat dit besluit naar zijn oude adres in Amsterdam is gestuurd. Bij de minister was toen bekend dat appellant niet meer in Nederland woonde, anders was de nihilstelling van appellants draagkracht op basis van de continuantenregeling wel automatisch verlengd zoals voorheen gebeurde. Appellant kreeg de gevolgen van het besluit van 6 januari 2014 pas onder ogen toen hij op 14 juni 2014 een aanmaning ontving. Dezelfde dag nam appellant contact op met een medewerker van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en heeft hij een verzoek om bepaling draagkracht ingediend. Appellant heeft nooit bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 januari 2014 omdat hij dit besluit pas in maart 2015 als kopie bij de stukken van de rechtbank onder ogen kreeg.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Tussen partijen is in geschil de ingangsdatum van de vastgestelde draagkracht van appellant.

4.2.

Ingevolge artikel 10a.7 van de Wsf 2000 kan een debiteur een aanvraag indienen om zijn draagkracht te meten voor de resterende duur van de aflosfase. Naar vaste rechtspraak volgt uit deze bepaling dat draagkrachtmeting voor reeds vervallen termijnen niet mogelijk is. De minister heeft uitgaande van het (eerst) in juni 2014 gedane verzoek om draagkrachtvaststelling de ingangsdatum van de draagkracht van appellant in overeenstemming met genoemd artikel vastgesteld op 1 juli 2014.

4.3.

Voor het handelen in afwijking van artikel 10a.7 van de Wsf 2000 heeft de minister geen aanleiding hoeven te zien. De continuantenregeling houdt in dat de minister automatisch jaarlijks bij de Belastingdienst de inkomensgegevens van de debiteur over het peiljaar opvraagt en dat de debiteur geen draagkrachtmeting hoeft aan te vragen. De continuantenregeling wijkt daarmee in gunstige zin af van artikel 10a.7 van de Wsf 2000. De minister heeft deze regeling beperkt tot binnenlandse belastingplichtigen. Wat betreft buitenlandse belastingplichtigen staat toegelicht op de DUO-website dat de minister de inkomensgegevens meestal niet bij de (buitenlandse) belastingdienst kan opvragen en dat de debiteur de inkomensgegevens zelf aan de minister moet doorgeven. Het bestreden besluit strijd niet met de – overigens deugdelijk

gepubliceerde – continuantenregeling.

4.4.

Het door appellant gestelde omtrent het niet ontvangen van de brief van 6 januari 2014 leidt evenmin tot het oordeel dat de minister aanleiding had moeten zien de draagkrachtmeting voor vervallen termijnen uit te voeren. Appellant gaat er met deze stelling aan voorbij dat het op basis van de continuantenregeling op zijn weg lag zijn inkomensgegevens aan de minister door te geven.

4.5.

Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2016.

(getekend) J. Brand

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

GdJ