Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4127

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
29-10-2016
Zaaknummer
14-4829 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene was naast werknemer ook statutair directeur en aandeelhouder van [naam B.V.]. In hoedanigheid van werknemer akkoord gegaan met opzegtermijn één dag en vergoeding van nog geen maandsalaris. Andere situatie dan in door rechtbank genoemde uitspraak van de Raad. Niet aannemelijk gemaakt dat betaling van een vergoeding ter overbrugging van de opzegtermijn niet mogelijk was. Rechtbank ten onrechte geoordeeld dat betrokkene geen benadelingshandeling heeft gepleegd.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 24
Werkloosheidswet 27
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 672
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/420 met annotatie van G.C. Boot

Uitspraak

14/4829 WW

Datum uitspraak: 26 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
18 juli 2014, 14/1722 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.M. Krommendijk een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Krommendijk.

OVERWEGINGEN

1. Betrokkene was in dienst van [naam B.V.] als statutair directeur op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en verdiende € [bedrag 1] bruto per maand. Daarnaast was betrokkene in het bezit van aandelen van [naam B.V.] (minderheidsbelang). Op
30 augustus 2013 is tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders (ava) besloten om [naam B.V.] te ontbinden wegens bedrijfseconomische redenen en om de arbeidsovereenkomst met de enige werknemer, betrokkene, te beëindigen. Op dezelfde dag heeft betrokkene een vaststellingsovereenkomst ondertekend, waarin is overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2013 wordt beëindigd en hij in verband met de beëindiging van het dienstverband recht heeft op een vergoeding van € [bedrag 2] bruto.

2.1.

Bij besluiten van 25 september 2013 heeft appellant betrokkene met ingang van
1 november 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). De ontslagvergoeding dekt volgens appellant een deel van de opzegtermijn tot en met 17 september 2013. Gedurende de periode van 18 september 2003 tot en met 31 oktober 2013 komt de uitkering niet tot uitbetaling vanwege een maatregel, omdat betrokkene er volgens appellant niet voldoende aan heeft gedaan om een toereikende vergoeding te krijgen om de voor hem resterende geldende opzegtermijn te overbruggen.

2.2.

Bij beslissing op bezwaar van 19 maart 2014 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat een opzegtermijn van één maand geldt tot
1 oktober 2013 en heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 16 september 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9325). Uit deze uitspraak blijkt dat het enkele feit dat de werknemer in het kader van een, al dan niet geregelde, ontbinding niet vraagt om bij de datum van ontbinding dan wel het bedingen van een vergoeding, rekening te houden met de fictieve opzegtermijn, geen benadelingshandeling oplevert. Daarvan kan wel sprake zijn indien aanstonds blijkt dat een (hogere) vergoeding in de rede lag. Hiervan is volgens de rechtbank geen sprake. Appellant heeft volgens de rechtbank geen enkele onderbouwing gegeven voor het standpunt dat het voor betrokkene haalbaar was te vragen om een hogere vergoeding of om een latere ontbindingsdatum. De rechtbank heeft zelf voorzien en vastgesteld dat betrokkene met ingang van 18 september 2013 recht heeft op een WW-uitkering en dat deze uitkering vanaf deze datum moet worden uitbetaald.

4.1.

Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak en heeft in hoger beroep aangevoerd dat op grond van artikel 7:672, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek de duur van de opzegtermijn twee maanden bedraagt. De (fictieve) opzegtermijn eindigt dan ook volgens appellant op 1 november 2013 en de vergoeding die betrokkene heeft bedongen van
€ [bedrag 2] bruto is niet voldoende om de (fictieve) opzegtermijn van twee maandsalarissen te overbruggen. Volgens appellant miskent de rechtbank de bijzondere positie van betrokkene binnen het bedrijf als directeur en enig bestuurder. Er is sprake van een andere situatie dan in genoemde uitspraak van de Raad van 16 september 2009. Uit de door betrokkene overgelegde financiële gegevens blijkt dat er in 2013 sprake was van een verlies, maar dat het negatieve bedrijfsresultaat aanzienlijk beter was dan het voorgaande jaar. Naar de mening van appellant rechtvaardigen deze gegevens geenszins dat op zeer korte termijn besloten zou moeten worden het dienstverband te beëindigen zonder rekening te houden met de opzegtermijn, waarbij een verzoek om een hogere vergoeding op voorhand kansloos zou zijn geweest. Betrokkene had moeten aandringen op doorbetaling van salaris over de wettelijke opzegtermijn. Er is dan ook sprake van de benadelingshandeling volgens appellant.

4.2.

Betrokkene heeft in verweer aangevoerd dat de wettelijke opzegtermijn in zijn situatie inderdaad twee maanden bedraagt. De rechtbank heeft de positie van betrokkene correct ingeschat. De bevoegdheid tot het nemen van een besluit tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst en de termijn waarop, lag bij de ava en niet bij betrokkene. Hij was inderdaad op de hoogte van de slechte financiële situatie van [naam B.V.] , maar had geen andere rechten dan een gemiddelde werknemer. [naam B.V.] verkeerde in feite in een situatie van betalingsonmacht. Dat het verlies over het jaar 2013 beperkter was dan over het jaar 2012 doet volgens betrokkene niet af aan het feit dat tijdens de aandeelhoudersvergadering op

30 augustus 2013 is besloten de financiering van [naam B.V.] per direct stop te zetten. Om het niet te laten komen tot een faillissement en omdat er onvoldoende financiële middelen waren, heeft betrokkene ingezien dat het geen zin had om te onderhandelen over de opzegtermijn of een hogere ontslagvergoeding. Betrokkene kan dan ook geen benadelingshandeling worden verweten slechts omdat hij hier niet om heeft verzocht.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

De vraag die voorligt is of betrokkene een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 24, vijfde lid, van de WW heeft gepleegd door bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst niet te hebben verzocht om doorbetaling van loon over de voor hem wettelijk geldende opzegtermijn. Niet in geschil is dat de opzegtermijn twee maanden bedraagt.

5.2.1.

Op grond van artikel 24, vijfde lid, van de WW is de werknemer verplicht zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds niet benadeelt of zou kunnen benadelen.

5.2.2.

In artikel 27, derde, zesde en tiende lid, van de WW is bepaald dat indien de werknemer een verplichting op grond van onder meer artikel 24, vijfde lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen, de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd. Een maatregel als bedoeld in het derde lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin die gedraging de werknemer kan worden verweten. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het Uwv stelt nadere regels met betrekking tot het derde, vierde en zesde lid.

5.2.3.

Deze nadere regels zijn gesteld in het Maatregelenbesluit UWV. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder a, en artikel 7, aanhef en onder a van het Maatregelenbesluit UWV bedraagt de hoogte en de duur van de maatregel bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting opgenomen in artikel 24, vijfde lid, van de WW de gehele uitkering voor de duur dat de verzekerde de aanspraak op loon zou hebben kunnen doen gelden, dan wel de dienstbetrekking zou hebben kunnen voortduren.

5.2.4.

Naar vaste rechtspraak van de Raad volgt uit de in artikel 24, vijfde lid, van de WW neergelegde verplichting dat van de werknemer die in de situatie verkeert waarin hij beslissingen moet nemen in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, mag worden verwacht dat hij rekening houdt met de consequenties die zijn opstelling heeft voor zijn aanspraken in het kader van de WW en dat hij ernaar streeft om die aanspraken zoveel als redelijkerwijs mogelijk te beperken.

5.3.

Betrokkene was naast werknemer ook statutair directeur en aandeelhouder van [naam B.V.] . Op grond van deze verschillende posities had hij verschillende belangen. Betrokkene is in de hoedanigheid van werknemer akkoord gegaan met een opzegtermijn van één dag en een vergoeding van nog geen maandsalaris. De ava en het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst vonden plaats op dezelfde dag. Daarnaast heeft alleen betrokkene de vaststellingsovereenkomst ondertekend, zowel in de hoedanigheid van gemachtigde van de werkgever als in de hoedanigheid van werknemer. Er is dan ook geen sprake van een situatie zoals bij een – al dan niet – geregelde ontbinding waarbij kan worden aangenomen dat partijen bij de onderhandeling van de beëindiging hebben gestreefd naar een zo gunstig mogelijke uitkomst en de werknemer er in het algemeen geen belang bij had om de arbeidsovereenkomst eerder dan nodig te doen eindigen of een lagere vergoeding te bedingen dan mogelijk is. Er is dan ook sprake van een andere situatie dan in de door de rechtbank genoemde uitspraak van de Raad van 16 september 2009.

5.4.

Betrokkene heeft ten slotte niet aannemelijk gemaakt dat betaling van een vergoeding ter overbrugging van de opzegtermijn niet mogelijk was. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij bij de besluitvorming over de ontbinding van [naam B.V.] en het beëindigen van de arbeidsovereenkomst zijn eigen belang als werknemer niet op de eerste plaats heeft gesteld. Of de werkgever nog enige financiële ruimte had, is gelet op deze opstelling, niet relevant.

5.5.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.2 tot en met 5.4 had in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van betrokkene in de hoedanigheid van werknemer dan ook verlangd kunnen worden dat hij erop had aangedrongen dat de wettelijk geldende opzegtermijn in acht werd genomen of een vergoeding werd toegekend ter overbrugging van deze opzegtermijn. Nu betrokkene dit niet heeft gedaan heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat betrokkene geen benadelingshandeling heeft gepleegd. Van omstandigheden op grond waarvan betrokkene zijn gedraging niet in overwegende mate kan worden verweten is geen sprake.

5.6.

Uit 5.1 tot en met 5.5 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit moet ongegrond worden verklaard.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en C.C.W. Lange en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2016.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) J.C. Borman

NW